|
|
Nationale en internationale beschermingsinstrumenten
Verdragen (ook overeenkomst, conventie of protocol genoemd) zijn internationale juridische instrumenten die bindend zijn voor de aangesloten staten. Zodra de onderhandelingen voltooid zijn, wordt de tekst van een verdrag definitief bekrachtigd en ondertekend door de vertegenwoordigers van die staten.
Er zijn verschillende manieren voor een staat om te tonen dat ze ermee akkoord gaat om gebonden te zijn door een verdrag. De meest voorkomende zijn ratificatie en toetreding.
Een nieuw verdrag wordt geratificeerd door de staten die over het instrument onderhandeld hebben. Een staat die niet aan de onderhandelingen deelgenomen heeft, kan zich in een later stadium toetreden tot het verdrag. Zodra een vooraf bepaald aantal staten het verdrag geratificeerd hebben of ertoe zijn toegetreden, wordt het van kracht.
Bij het ratificeren kan een staat voorbehoud aantekenen tegen één of meerdere artikelen in het verdrag, tenzij het verdrag het recht op voorbehoud niet toelaat. Het voorbehoud kan op elk moment teruggetrokken worden.
In bepaalde landen hebben internationale verdragen een hogere rechtskracht dan de nationale wetgeving. In andere landen kan een wet nodig zijn om een internationaal verdrag, ondanks het feit dat het land bij dit verdrag is toegetreden of het geratificeerd heeft, dezelfde rechtsgeldigheid te geven als een nationale wet. In de praktijk moeten bijna alle staten die een verdrag geratificeerd hebben of ertoe zijn toegetreden decreten uitvaardigen, bestaande wetten amenderen of nieuwe wetgeving introduceren opdat een verdrag op het nationale territorium volledig van kracht zou worden.
De bindende verdragen kunnen aangewend worden om regeringen te dwingen de verdragsbepalingen te eerbiedigen die relevant zijn voor het recht op voedsel en water. De niet-bindende instrumenten, zoals verklaringen en resoluties, kunnen in bepaalde situaties gebruikt worden om regeringen publiekelijk voor schut te zetten. Dat betekent de aandacht te vestigen op regeringen, die bezorgd zijn om hun internationaal imago maar die het verdrag niet naleven, om hen ertoe aan te zetten hun beleid aan te passen.
De volgende internationale en regionale verdragen leggen normen vast voor de bescherming van vluchtelingen en ontheemden:
De Verenigde Naties
- Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (1948) (artikel 14)
Het eerste internationale document dat het recht erkent om bij gevaar van vervolging asiel te zoeken en te krijgen.
- Conventie van Genève met betrekking tot de Bescherming van Burgers in Tijd van Oorlog (1949) (artikel 44 en 70)
Dit verdrag beschermt vluchtelingen tijdens oorlogen. Vluchtelingen kunnen niet behandeld worden als vijandige vreemdelingen.
- Additioneel Protocol bij de Conventies van Genève van 12 augustus 1949, betrekking hebbend op de bescherming van internationale oorlogsslachtoffers (Protocol 1) (1977) (artikel 73)
Personen die, voor het begin van de vijandelijkheden, beschouwd werden als staatlozen of vluchtelingen
zullen beschermd worden
, in alle omstandigheden en zonder onderscheid te maken.
- Vluchtelingenverdrag (1951)
Dit was de eerste internationale overeenkomst die de meest fundamentele aspecten van het leven van een vluchteling omvat. Het behelst een aantal mensenrechten die tenminste evenwaardig moeten zijn als de vrijheden die vreemdelingen genieten die legaal verblijven in een gegeven land en in vele gevallen als de vrijheden van de burgers van die staat. Het erkende de internationale omvang van vluchtelingencrises en de noodzaak van internationale samenwerking, inclusief lastdeling onder de landen, om het probleem aan te pakken. Tegen 1 oktober 2002 hadden 141 landen het Vluchtelingenverdrag geratificeerd.
- Internationaal Verdrag Inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (1966), (artikels 2, 12 en 13)
Het belangrijkste internationale verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten stipuleert dat staten de burgerlijke en politieke rechten van alle individuen binnen hun territorium en onderworpen aan hun jurisdictie moeten waarborgen (artikel 2). Het verdrag waarborgt ook de vrije beweging en verbiedt gedwongen uitwijzing.
- Protocol Inzake de Status van Vluchtelingen (1967)
Schrapt de geografische en tijdsbeperkingen die in het originele Vluchtelingenverdrag waren opgenomen, waarin vooral Europeanen, die betrokken waren bij omstandigheden die zich voor 1 januari 1951 voordeden, in aanmerking konden komen voor het statuut van vluchteling.
- Verdrag tegen Foltering en andere Wrede, Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing
Artikel 3 (2) bepaalt dat een aanhoudend patroon van grove en massale schendingen van mensenrechten omstandigheden zijn waarmee een staat rekening moet houden wanneer deze beslist over uitwijzing. Het toezichthoudende orgaan van dit verdrag, de Commissie tegen Foltering, heeft een aantal fundamentele principes vastgelegd die betrekking hebben op de uitwijzing van afgewezen asielzoekers. Het biedt in belangrijke mate bescherming aan asielzoekers aangezien zij het recht hebben niet te moeten terugkeren naar een plaats waar zij mogelijk vervolgd kunnen worden.
- Verdrag Inzake de Rechten van het Kind
Artikel 22 van dit verdrag stipuleert dat staten die partij zijn passende maatregelen zullen nemen om te waarborgen dat een kind dat de vluchtelingenstatus wil verkrijgen of dat als vluchteling wordt beschouwd
passende bescherming en humanitaire bijstand krijgt bij het genot van de rechten beschreven in dit verdrag
De staten die partij zijn verlenen hun medewerking aan alle inspanningen om dat kind te beschermen en bij te staan en de ouders of andere gezinsleden op te sporen van een kind dat vluchteling is, teneinde de nodige inlichtingen te verkrijgen voor hereniging van het kind met het gezin waartoe het behoort. In gevallen waarin geen ouders of andere familieleden kunnen worden gevonden, wordt aan het kind dezelfde bescherming verleend als aan ieder ander kind dat om welke reden ook, blijvend of tijdelijk het leven in een gezin moet ontberen, zoals beschreven in dit verdrag.
- Verklaring Inzake de Uitbanning van Geweld tegen Vrouwen (1994)
Erkent de bijzondere kwetsbaarheid van vrouwelijke vluchtelingen.
-
Handboek Inzake de Procedures en Criteria om de Vluchtelingenstatus vast te stellen onder het Vluchtelingenverdrag van 1951 en het Protocol uit 1967 met betrekking tot de Status van Vluchtelingen
Dit handboek wordt door deskundigen en door de meeste regeringen algemeen aanvaard als een gezaghebbende interpretatie van het Vluchtelingenverdrag.
- Leidende beginselen Inzake Ontheemden
Een reeks van 30 aanbevelingen met betrekking tot de bescherming van ontheemden. De Leidende Beginselen geven een definitie van het begrip ontheemde, herhalen de bestaande internationale rechtsregels die de basisrechten van elk individu beschermen en geven een opsomming van de verantwoordelijkheden die staten dragen. Er wordt duidelijk in gemaakt dat ontheemden het recht hebben om hun land te verlaten, asiel te zoeken en beschermd te worden tegen een gedwongen terugkeer naar hun thuisland.
Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS)
- Cartagena Verklaring Inzake Vluchtelingen (1984)
De definitie van vluchteling in de Cartagena Verklaring bouwt voort op de OAU, maar voegt er het gevaar op veralgemeend geweld aan toe; interne agressie; een massale schending van de mensenrechten. In tegenstelling tot de definitie in het Vluchtelingenverdrag van de Afrikaanse Unie, moet een vluchteling echter wel een verband kunnen aantonen tussen zichzelf en het risico in gevaar te zijn; alle aanvragers moeten aantonen dat hun leven, veiligheid of vrijheid in gevaar zijn. Deze eis is vergelijkbaar met het VN Vluchtelingenverdrag, dat vereist dat individuen aantonen dat zij persoonlijk gevaar lopen vervolgd te worden. Hoewel het niet formeel bindend is, is het Cartagena Verdrag het basisdocument geworden voor het vluchtelingenbeleid in deze regio en is het opgenomen in de nationale wetgeving van een aantal staten.
- Inter-Amerikaans Verdrag Inzake de Preventie, Bestraffing en Uitroeiing van Geweld tegen Vrouwen
Verdrag van Belem do Para (1994) (artikel 9)
Houdt rekening met de kwetsbaarheid van vrouwen en meisjes met betrekking tot geweld, onder andere veroorzaakt door hun ras of etnische achtergrond of hun status als migrant, vluchteling of ontheemde.
Afrikaanse Unie (voormalige Organisation of African Unity, OAU)
- Verdrag Inzake de Specifieke Aspecten van Vluchtelingenproblemen in Afrika (1969)
Aanvaardde de definitie uit het Vluchtelingenverdrag van 1951 en breidde deze uit zodat ook mensen beschermd zouden worden die gedwongen waren hun land te verlaten niet enkel op grond van vervolging maar ook ten gevolge van externe agressie, bezetting, vreemde overheersing of gebeurtenissen die de openbare orde ernstig verstoren. Deze definitie is ruimer dan die uit het VN Vluchtelingenverdrag en zij is ook afgestemd op de realiteit van de zich ontwikkelende wereld. De definitie van de Afrikaanse Unie erkent ook groeperingen die niet tot de staat behoren als mogelijke plegers van vervolging. De definitie vereist niet dat een vluchteling een direct verband kan aantonen tussen haar- of hemzelf en het toekomstige gevaar. Het is voldoende dat de vluchteling het kwaad voldoende erg acht opdat hij of zij hun thuis zou verlaten.
- Afrikaans Verdrag voor de Rechten en het Welzijn van het Kind (1990) (artikel 13)
Dit verdrag bepaalt speciale voorwaarden voor vluchtelingenkinderen die niet begeleid worden door ouders of voogden.
Raad van Europa
- Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (1950) (artikels 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10, 13, 14 en 16)
Het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden bevat niet het recht op asiel en verwijst niet direct naar asielzoekers en vluchtelingen. Een zeer belangrijke zaak voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Soering vs. het VK, 1989), concludeert echter dat staten inderdaad verantwoordelijk waren, in bepaalde gevallen, voor het welzijn van individuen in andere landen. De zaak betrof artikel 3 van het Europees Verdrag dat zegt dat niemand onderworpen mag worden aan folteringen of onmenselijke en vernederende behandelingen of bestraffingen. Recentelijk heeft het Europees Hof opnieuw de nadruk gelegd op de onvoorwaardelijke aard van het verbod op slechte behandeling en vestigde het principe dat een staat die een individu wil uitwijzen, zelfs als deze zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit of als deze een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, eerst een onafhankelijke evaluatie moet uitvoeren van de omstandigheden waarin het individu zou terechtkomen als deze zou terugkeren. Hoewel artikel 3 het vaakst wordt ingeroepen om asielzoekers en vluchtelingen te beschermen, kan ook op andere artikels beroep worden gedaan om hun mensenrechten te doen respecteren. In het bijzonder artikel 4 (verbod op slavernij en dwangarbeid), artikel 5 (recht op vrijheid en veiligheid), artikel 6 (recht op een eerlijk proces), artikel 8 (recht op eerbiediging van privé, familie- en gezinsleven), artikel 9 (vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst), artikel 10 (vrijheid van meningsuiting), artikel 13 (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel) en artikel 16 (geen beperkingen op politieke activiteiten van vreemdelingen) die een substantiële bescherming kunnen bieden.
|
|
|