In welke zin zijn mensenrechten universeel?
Op 10 december 1948 werd de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (UVRM) geproclameerd, als rechten die voor ieder mens, ongeacht huidskleur, status, nationaliteit, cultuur, godsdienst of geslacht geldig zijn. Mensenrechten werden geacht om per definitie universeel te zijn. Al snel werden er vragen gesteld bij dit principe: de UVRM was immers in het Westen ontstaan en uitgewerkt. Waren het dan niet vooral westerse waarden en opinies die erin aan bod kwamen? Hielden ze wel rekening met de noden en waarden van andere mensen, in niet-westerse culturen en samenlevingen? Deze vragen leidden tot een levendig debat, dat nog steeds bezig is, tussen enerzijds voorstanders van universele geldigheid van de mensenrechten en anderzijds zij die menen dat men respect moet hebben voor culturele verschillen en diversiteit (particularisme) en dat de mensenrechten niet overal op dezelfde manier toegepast kunnen worden.
mensen kiezen ervoor om
mensenrechten universeel te maken
In welke zin zijn mensenrechten universeel?
Als men zoekt naar een empirische basis voor de mensenrechten zoals ze door de VN zijn opgesteld (gelijkaardige regels, wetten en waarden in verschillende culturen) zal men snel bedrogen uitkomen: men kan niet ontkennen dat de mensenrechtenverklaring een overwegend westerse creatie is en dat het uiterst moeilijk, zo niet onmogelijk is, om alle artikels ervan letterlijk terug te vinden in andere culturen. Maar waarom zou een goed idee niet verspreid mogen worden buiten de samenleving waarin het ontstaan is? Want wat men wel empirisch kan vaststellen, is dat de mensenrechten vrijwel overal, door iedereen die vecht tegen onrecht of er zelf slachtoffer van is, waar ook ter wereld, worden erkend en aangegrepen als geldig instrument om te vechten tegen onrecht. Wat telt, is dat de mensenrechten voor iedereen zinvol zijn: mensen kiezen ervoor om mensenrechten universeel te maken.