|
Hier kan je de UVRM downloaden, al of niet in vereenvoudigde versie.
Download deze toelichting in pdf-versie: 
Toelichting bij Artikel 1
Vrij geboren betekent dat alle mensen evenveel recht hebben op vrijheid. Deze vrijheid is echter niet totaal: ze wordt beperkt door economische, sociale en politieke regels en mag zeker niet ten koste gaan van de vrijheid van andere mensen.
Gelijk betekent niet dat individuen hetzelfde zijn op lichamelijk of mentaal vlak, of wat betreft hun talenten en eigenschappen. Men bedoelt ermee dat eender welke discriminatie, om welke reden ook (ras, godsdienst, cultuur
), onrechtvaardig is.
Artikel 1 wil mensen aanzetten tot tolerantie: om andere mensen te behandelen in een geest van broederschap, als medemensen die compleet gelijkwaardig zijn aan elkaar en dezelfde rechten en waardering verdienen.
Dit artikel wordt niet gerespecteerd als men groepen mensen hiërarchisch gaat rangschikken op basis van hun intellectuele, culturele of genetische eigenschappen. Wie mensen discrimineert, negeert of weigert hen de mogelijkheid te bieden om zich te ontwikkelen als individu omdat ze anders zouden zijn, begaat een zware inbreuk op artikel 1.
Toelichting bij Artikel 2 en Artikel 7
Artikel 2 stelt dat alle mensen het recht hebben om een beroep te doen op de beschermingen die geformuleerd worden in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM). Artikel 7 stelt dat ook de nationale wetten, van individuele staten, aan alle burgers dezelfde bescherming en hulp moeten bieden. Beide artikelen benadrukken dus dat niemand gediscrimineerd mag worden door de wet, en dat alle staten in de toepassing van hun wetgeving de principes van de mensenrechten voor alle burgers moeten garanderen.
Zo moet elke inwoner van een bepaald land door de politie of door de rechters gelijk voor de wet behandeld worden en moet hij/zij het recht krijgen zich te verdedigen voor een rechtbank. Verder wordt van staten verwacht dat ze minderheden beschermen tegen discriminaties die in strijd zouden zijn met de UVRM. Ook het aanzetten tot discrimineren wordt beschouwd als strafbaar.
Toelichting bij Artikel 3
Het recht op leven, op vrijheid en op veiligheid zou door de staat gegarandeerd moeten worden. Helaas is dat dikwijls niet het geval: verdwijningen, willekeurige executies en marteling zijn in vele landen nog steeds schering en inslag. Al deze praktijken worden beschouwd als ernstige inbreuken op de rechten van de mens en zouden bijgevolg een belangrijk aandachtspunt voor de wereldgemeenschap moeten zijn.
Bijzondere vormen van inbreuk op artikel 3 zijn genocide en de doodstraf. Onder genocide of volkerenmoord verstaat men het uitmoorden of het lichamelijk of geestelijk kwetsen van een bepaalde nationale, etnische, raciale of religieuze groep. Dit wordt beschouwd als een inbreuk op het recht op leven en dus als een internationale misdaad. Ook de doodstraf wordt beschouwd als een schending van de mensenrechten: ze wordt immers dikwijls misbruikt door repressieve regimes om oppositie uit te schakelen en sociale onrechtvaardigheid in stand te houden. Verder is er geen bewijs dat de doodstraf een afschrikkend effect heeft op andere misdadigers. Er zijn daarentegen talloze voorbeelden van mensen die tot de doodstraf veroordeeld werden, maar nadien onschuldig bleken te zijn.
Toelichting bij Artikel 4
Met slavernij bedoelt men heden ten dage niet meer de brutale praktijk uit de geschiedenis waarbij mensen gevangen werden genomen en geketend werden verkocht op de markt. Dit type slavernij is reeds lang geleden afgeschaft en in elk land verboden, en komt nog slechts zelden voor. Toch zijn er ook nu miljoenen mensen die door andere mensen brutaal geëxploiteerd worden en zich in feite in een toestand van slavernij bevinden, hoewel men er dikwijls een andere naam aan geeft. Deze praktijken zijn zeer moeilijk uit te roeien en treffen meestal de zwakste en armste mensen van de samenleving.
Een voorbeeld van een moderne vorm van slavernij is deze: wanneer een zekere persoon een schuld bij iemand heeft, kan de persoon in kwestie gedwongen worden om zijn schuld af te betalen door voor de ander te werken, in een situatie die overeenkomt met feitelijke slavernij of lijfeigenschap. Ook kinderarbeid wordt beschouwd als een vorm van slavernij: veel kinderen worden gedwongen reeds op zeer jonge leeftijd te werken, meestal in ongezonde omstandigheden en zonder dat ze ervoor betaald worden of de kans krijgen om naar school te gaan. Dergelijke praktijken zijn moeilijk uit te roeien omdat er dikwijls ontkend wordt dat ze bestaan: verbetering in deze toestand is in grote mate afhankelijk van de politieke wil om de mensenrechten effectief toe te passen en van de vooruitgang van onderwijs en economische ontwikkeling.
Toelichting bij Artikel 5
Marteling wordt door de Verenigde Naties gedefinieerd als elke handeling:
 |
die uitgevoerd wordt door een persoon in overheidsdienst, |
 |
ernstige geestelijke of lichamelijke pijn veroorzaakt, |
 |
en de bedoeling heeft om informatie of bekentenissen te verkrijgen, of om een persoon te straffen of te intimideren. |
Marteling wordt beschouwd als een van de ernstigste inbreuken op de menselijke waardigheid.
Een exacte definitie van wat een wrede, onmenselijke of onterende behandeling' is, bestaat niet. Onder deze bewoording worden bijvoorbeeld de volgende praktijken verstaan: lichamelijke bestraffing, gevangenzetting in donkere cellen of met ketens, biomedische experimenten op gevangen en praktijken zoals eenzame opsluiting of vrouwenbesnijdenis.
Marteling en aanverwante praktijken zijn geen geïsoleerde, nauwelijks voorkomende feiten: organisaties als Amnesty International tonen dagelijks aan dat marteling frequent gebruikt wordt door regeringen om politieke tegenstanders uit te schakelen en om de bevolking te terroriseren. Marteling kan echter noch moreel, noch wettelijk gerechtvaardigd worden.
Om marteling te voorkomen, moet men garanderen dat elke gevangene over al zijn wettelijke rechten kan beschikken en de mogelijkheid krijgt om wettelijke en medische bijstand te vragen. Op internationaal niveau kunnen regeringen en ngos informatie verspreiden rond marteling en eventueel tussenkomen ten bate van slachtoffers, en zo helpen verzekeren dat de nationale wetten voldoende bescherming bieden tegen marteling. Alle lidstaten van de Verenigde Naties verbinden zich ertoe om artikel 5 te respecteren. Waar nodig, voorziet de VN bovendien in de oprichting van een comité van tien experts die in een bepaald land kunnen gaan controleren of het artikel effectief wordt toegepast.
Toelichting bij Artikel 6 en Artikel 8
In deze twee artikels is het woord iedereen heel belangrijk: het impliceert dat een regering geen onderscheid mag maken onder de inwoners van een land en dat zowel de eigenlijke burgers als buitenlanders of staatloze personen (asielzoekers, vluchtelingen) erkend moeten worden als rechtspersoon.
Met rechtspersoon, in artikel 6, bedoelt men dat staten alle individuen het recht moeten geven om een procedure aan te spannen bij een rechtbank, om te verzekeren dat hun wettelijke rechten afgedwongen kunnen worden.
Artikel 8 geeft elke persoon die vindt dat zijn of haar wettelijke rechten werden geschonden, het recht om beroep te doen op een rechtbank. Elke persoon in een dergelijke situatie heeft dus het recht om zich te verdedigen voor de rechtbank. Dit recht mag niet voorbehouden zijn aan bepaalde groepen, maar geldt voor iedereen.
Toelichting bij Artikel 7
zie Artikel 2
Toelichting bij Artikel 8
zie Artikel 6
Toelichting bij Artikel 9
De bedoeling van dit artikel lijkt duidelijk, maar het woord willekeurig vraagt nadere verklaring. Het kan immers op twee manieren geïnterpreteerd worden:
| 1. |
In de eerste interpretatie stelt men dat personen enkel gearresteerd, gevangen gehouden of verbannen mogen worden volgens wettelijke procedures. |
| 2. |
Volgens de tweede interpretatie bedoelt artikel 9 dat niemand zomaar gearresteerd, gevangen gehouden of verbannen mag worden, zonder dat het zeker is dat hij of zij een misdaad beging. |
De eerste interpretatie is eigenlijk ontoereikend, aangezien er wettelijke procedures zijn die zelf willekeurig zijn of misbruikt kunnen worden: ze biedt dus niet voldoende bescherming. De tweede interpretatie is de enige juiste: willekeurige arrestatie, al is ze volgens een wettelijke procedure uitgevoerd, kan dikwijls gepaard gaan met onrechtvaardige behandeling of marteling van een gevangene. Artikel 9 probeert dergelijke situaties te voorkomen.
Toelichting bij Artikel 10
Artikel 10 voorziet in het recht op een eerlijk proces: dit wil zeggen dat iedereen die betrokken is bij een rechtszaak, het recht heeft om gehoord te worden door een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank.
Toelichting bij Artikel 11
In de toelichting bij dit artikel worden vier fundamentele principes benadrukt.
| 1. |
De veronderstelling van onschuld. Dit betekent dat een persoon die verdacht wordt van een misdaad, beschouwd wordt als onschuldig tot zijn/haar schuld bewezen is. |
| 2. |
Het recht op verdediging. Dit recht impliceert dat staten moeten verzekeren dat een beschuldigde zowel over een advocaat kan beschikken (wettelijke verdediging) als over mogelijkheden om zijn/haar onschuld te bewijzen (bvb. getuigen oproepen). |
| 3. |
Het recht om publiek gehoord te worden. Mensen moeten de mogelijkheid krijgen om zelf te zien hoe de wet wordt toegepast, zodat ze er zeker van zijn dat die eerlijk en rechtvaardig wordt toegepast. |
| 4. |
Non-retroactiviteit van de wet. Met deze ingewikkelde formule wordt eigenlijk iets heel eenvoudigs bedoeld: iemand die een misdaad heeft begaan, moet gestraft worden volgens de wet zoals ze was op het moment dat de misdaad plaatsvond. Zo mag men niet iemand straffen voor daden die op het moment dat ze begaan werden legaal waren, en pas later strafbaar werden. |
Toelichting bij Artikel 12
Dit artikel is moeilijk toe te passen als gevolg van de verschillende interpretaties die staten kunnen geven aan begrippen zoals 'privacy, familie, huis, eer en reputatie. De toepassing ervan is dus sterk afhankelijk van de interpretatie in nationale wetten. Een bijkomend probleem wordt gevormd door de moderne technologieën (die het bvb. mogelijk maken om telefoongesprekken af te luisteren), waardoor het zeer moeilijk is om misbruiken op te sporen en te bewijzen.
Toch bestaat er in vele landen een uitgebreide wetgeving om deze fundamentele vrijheden te beschermen, en zijn er de NGOs en de massamedia die zich inzetten om dit artikel te vrijwaren.
Toelichting bij Artikel 13
Dit artikel omschrijft het recht op vrijheid van beweging, zowel binnen als buiten de staat. Toch worden er in bepaalde, welomschreven omstandigheden uitzonderingen toegestaan. De staat kan de bewegingsvrijheid van haar burgers beperken als er bedreigingen zijn voor de publieke orde of gezondheid, of als de rechten en vrijheden van anderen in het gedrang zouden kunnen komen. Deze uitzonderingen moeten echter slechts tijdelijk zijn, en enkel de bedoeling hebben om de veiligheid van mensen te verzekeren.
Voorbeelden van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden zijn natuurrampen, epidemieën of oorlogen. Ook personen die onder beschuldiging staan van een misdaad of gevangenen kunnen niet van dit recht genieten, tot ze respectievelijk zijn vrijgesproken of hun straf hebben uitgezeten. Toch kan, hoewel er uitzonderingen zijn, een willekeurige of permanente beperking op de bewegingsvrijheid in geen enkel geval goedgekeurd worden.
Toelichting bij Artikel 14
Met asiel bedoelt men: het voorzien in een toevluchtsplaats en bescherming voor mensen die hun land hebben verlaten uit angst voor vervolging. Dit recht is nog niet universeel gecodificeerd en toepassing en interpretatie ervan is dus sterk afhankelijk van de houding van staten. Zo zijn er staten die het artikel zeer eng interpreteren, en niet veel asielzoekers toelaten. Anderzijds zijn er staten die een soepelere houding aannemen: zij laten toe dat asielzoekers die ernstige redenen hebben om hun land te ontvluchten, op hun grondgebied blijven.
Toelichting bij Artikel 15
Nationaliteit is een belangrijk aspect van de identiteit van een individu, in die zin dat het iemand een gevoel van eigenwaarde en van ergens bijhoren geeft. Nationaliteit is meer specifiek verbonden aan een geografische locatie (een staat) en geeft een persoon het recht om beschermd te worden door de wetten die daar gelden. Zelfs als men zich in een ander land bevindt, heeft de staat waarvan men de nationaliteit
bezit, de plicht om haar burgers te beschermen.
Het al dan niet hebben van een nationaliteit kan tot ernstige conflicten leiden. Waar nieuwe staten ontstaan, zijn er soms groepen aan wie de nationaliteit van de staat ontzegd word. Dit is dikwijls het geval voor minderheden, die dan het slachtoffer worden van vervolging en uitdrijving en dan, als vluchteling, in een situatie van staatloosheid terechtkomen. Om dergelijke situaties te vermijden, probeert men, onder meer op basis van dit artikel, staten ervan te overtuigen om niemand een nationaliteit te weigeren op basis van raciale, etnische, religieuze of politieke factoren.
Toelichting bij Artikel 16
Een probleem bij dit artikel is dat houdingen en denkpatronen met betrekking tot huwelijk en familie sterk kunnen verschillen van land tot land. Dikwijls zijn de nationale wetten sterk beïnvloed door religieuze, culturele en sociale gebruiken die in het land in kwestie van toepassing zijn. Zo wordt de notie vrije en volledige toestemming niet in alle landen zo gemakkelijk aanvaard. Daarom zijn er bijkomende verdragen opgesteld waarin de regels voor o.a. toestemming en leeftijd voor het huwelijk gedetailleerder worden uitgewerkt.
Ook het begrip familie betekent niet in alle landen hetzelfde: in het Westen duidt het slechts een kleine kern van de familie aan (vader, moeder en kinderen), in vele andere gebieden van de wereld gaat het om de uitgebreide familie (mét broers en zussen van de ouders, diens kinderen, de grootouders
). Ondanks deze verschillen wordt de familie in alle samenlevingen beschouwd als een fundamenteel element ervan, en hebben staten de verplichting om ze te beschermen.
Toelichting bij Artikel 17
De UVRM beschouwt het recht op eigen bezit als een fundamenteel recht. Staten moeten de bescherming van dit recht garanderen en elke discriminatie scherp veroordelen.
Toelichting bij Artikel 18
De vrijheden van denken, geweten, godsdienst of geloof worden beschouwd als fundamentele vrijheden die in geen enkel geval opgeschort mogen worden, zelfs niet in noodtoestanden. De bescherming betreft zowel gelovigen als ongelovigen. Artikel 18 impliceert dat niemand gediscrimineerd mag worden omwille van zijn/haar godsdienst of geloof, noch mag men iemand dwingen om zich tot een ander geloof te bekeren. De vrijheid om een godsdienst of geloof in de praktijk te mogen beleven (alleen of in gemeenschap) verwijst naar een brede waaier van gewoontes en activiteiten, bvb. het dragen van een bepaalde kleding, het organiseren van ceremonieën en diensten, het respecteren van specifieke eetgewoonten
Hoewel staten al deze praktijken en overtuigingen zouden moeten tolereren (zolang ze niemand anders schade berokkenen), wordt dit artikel niet overal gerespecteerd. In sommige staten wordt één godsdienst als staatsgodsdienst uitgeroepen, en worden de inwoners aangespoord of soms zelfs brutaal verplicht om hun eigen geloof op te geven. Om dergelijke toestanden op te sporen en te voorkomen, werd door de VN een speciale Rapporteur voor Religieuze Onverdraagzaamheid aangesteld, om staten ertoe aan te zetten artikel 18 effectief toe te passen.
Toelichting bij Artikel 19
De bescherming en uitoefening van de in artikel 19 geformuleerde rechten worden beschouwd als essentieel in een democratische samenleving. De vrijheid om informatie en ideeën te zoeken en mee te delen via de media impliceert het bestaan van vrije en onafhankelijke media.
Staten verbieden deze rechten vaak uit angst voor andere meningen dan de hunne, die een bedreiging zouden kunnen vormen voor hun macht. Maar, hoewel ze er in het eigen land misschien in slagen om deze vrijheden te beperken, is het onmogelijk om gedachten, meningen en de uitdrukkingen ervan helemaal aan banden te leggen: men kan een boek bvb. wel verbieden in een bepaald land, maar dit verhindert niet dat het elders wél wordt gelezen, of in een andere vorm onder de mensen circuleert.
Vrijheid van mening is echter geen absoluut recht: in bepaalde gevallen mag ze wel degelijk aan banden gelegd worden. Voorbeelden van meningen die verboden mogen worden, zijn oorlogspropaganda of uitingen van religieuze of raciale haat die aanzetten tot discriminatie, vijandigheid of geweld. Toch moet elke beperking op de vrije meningsuiting in overeenstemming zijn met legitieme, legale en democratische criteria: het mag zeker niet willekeurig gebeuren. Het is dus zeer belangrijk om duidelijke regels op te stellen.
Toelichting bij Artikel 20
Vrijheid van vereniging is de enige manier waarop mensen hun eisen collectief kunnen verwoorden, druk kunnen uitoefenen als groep en hun eigen belangen (of die van anderen) kunnen beschermen. In sommige gevallen kan een beperking van deze vrijheid door de regering gerechtvaardigd zijn, maar in vele gevallen wordt de vrijheid van vereniging beperkt of verboden als een middel om te onderdrukken.
Vooral het verenigingsrecht voor arbeiders vereist speciale bescherming: er zijn dan ook door de Verenigde Naties specifieke verdragen aan gewijd die dit recht willen garanderen.
Toelichting bij Artikel 21
In dit artikel worden de basisprincipes van de democratie bevestigd: de wil van het volk moet aan de basis liggen van de autoriteit van de regering. Democratie wordt gerealiseerd door middel van verkiezingen: deze moeten vrij en eerlijk zijn, en iedereen moet het recht krijgen om te gaan stemmen (universeel stemrecht).
Cruciaal voor een democratie zijn niet enkel eerlijke en vrije verkiezingen, maar ook de bescherming van de mensenrechten. Democratie en mensenrechten zijn dus nauw met elkaar verbonden: bescherming en toepassing van de mensenrechten kunnen het best gerealiseerd worden in staten die zich houden aan de democratische spelregels.
Toelichting bij Artikel 22
Dit artikel, evenals artikels 23 tot 27, betreft economische, sociale en culturele rechten. Deze rechten verzekeren dat alle mensen, waar ook ter wereld, zich zo goed en zo volledig mogelijk kunnen ontwikkelen: ze zetten aan tot een strijd tegen toestanden als armoede, honger, analfabetisme en sociale onzekerheid en verzekeren dat iedereen kan genieten van economische en sociale vooruitgang.
Economische, sociale en culturele rechten worden even belangrijk geacht als politieke en burgerlijke rechten: ze worden beschouwd als cruciaal voor het behoud van democratie, stabiliteit en vrede. Elke regering zou zich er actief voor moeten inzetten dat alle lagen van de bevolking van deze rechten kunnen genieten, iets wat nu niet altijd het geval is. Door internationale samenwerking moeten ze er voor zorgen dat dit ook in andere landen gerealiseerd kan worden.
Toelichting bij Artikel 23
Dit artikel is speciaal bestemd om de rechten van arbeiders te verzekeren. De Verenigde Naties hebben zelfs een afzonderlijke organisatie opgericht die zich met deze rechten bezighoudt, namelijk de Internationale Arbeidsorganisatie (International Labour Organisation of ILO). De ILO gaat na in welke mate deze rechten worden gerespecteerd en voorziet in praktische hulp om ze te promoten en te beschermen.
Een bijzondere en zeer kwetsbare groep arbeiders wordt gevormd door de migranten of gastarbeiders: zij hebben meestal niet dezelfde rechten als de burgers van het land waar ze verblijven. Om hun situatie te verbeteren, werd door de Verenigde Naties een speciaal verdrag voor de bescherming van gastarbeiders en hun familie opgesteld. Helaas is dit verdrag nog niet door voldoende lidstaten goedgekeurd: bijgevolg kan het ook nog niet toegepast worden.
Toelichting bij Artikel 24
Dikwijls wordt betwijfeld of dit artikel, dat het recht op rust, ontspanning en vakantie garandeert, wel tot de fundamentele mensenrechten behoort. Een verzekering van dit recht is wel degelijk nodig: hoewel een beperking van de werkuren geleidelijk aan in vele landen is afgedwongen door arbeidsorganisaties, zijn er toch nog steeds ontelbare mensen die werken zonder voldoende bescherming tegen misbruik. Dankzij de inspanningen van de ILO worden beperkingen op de wekelijkse werkduur internationaal erkend. Dit artikel maakt duidelijk dat het recht op rust en ontspanning, als onderdeel van de economische, sociale en culturele rechten, wel degelijk deel uitmaakt van de universele mensenrechten.
Toelichting bij Artikel 25
Met gepaste levensstandaard kunnen verschillende dingen bedoeld worden. Maar het minste dat men kan zeggen is dat het betekent dat iedereen het recht heeft op een aantal fundamentele materiële zaken, zoals voedsel, onderdak en kleding, en dat iedereen een beroep mag doen op gemeenschapsdiensten zoals watervoorziening, gezondheidszorg en onderwijs. Het betekent ook dat iedereen het recht heeft om te werken om een voldoende levensstandaard te kunnen bereiken. Voor degenen die niet kunnen werken moeten voorzieningen aanwezig zijn om hen te helpen.
Toelichting bij Artikel 26
Artikel 26 benadrukt en verduidelijkt het recht op onderwijs. Niet overal wordt dit recht beschouwd als een prioriteit. Hoewel er enerzijds landen zijn waar onderwijs daadwerkelijk verplicht is, zijn er nog te veel landen waarin een groot deel van de bevolking ongeletterd is. Bijna een derde van de volwassen wereldbevolking is analfabeet. Dit is vooral een gevolg van armoede, uitsluiting en discriminatie: deze situaties maken dat het onderwijs niet voor iedereen even gemakkelijk toegankelijk is.
Toelichting bij Artikel 27
In dit artikel worden de culturele rechten verwoord: deze houden in dat iedereen toegang moet krijgen tot uitingen van de eigen cultuur en tot de culturele erfenis van anderen. Iedereen moet het recht hebben om deel te nemen aan culturele manifestaties. Voorbeelden hiervan zijn theatervoorstellingen (drama), literatuur, muziek, traditionele dansen
Het recht op cultuur impliceert ook het recht om te genieten van wetenschappelijke en technologische vooruitgang. In de meest brede zin is ook het recht op onderwijs inherent aan het recht op cultuur.
Toelichting bij Artikel 28
Voor een groot deel van de mensheid is het niet mogelijk om een leven te leiden waarin een minimum aan welzijn en waardigheid gegarandeerd wordt. Voor hen is sociale rechtvaardigheid slechts een illusie, en lijken de rechten en vrijheden die geformuleerd worden in de UVRM niet voor hen weggelegd te zijn. Verbetering van hun situatie is slechts mogelijk door een verandering van de huidige wereldorde: de kloof tussen arm en rijk wordt altijd maar groter: dit wijst erop dat de ongelijke verdeling van de rijkdommen wordt versterkt door bestaande beleidslijnen en instituties.
Deze situatie kan slechts veranderen als men beseft dat economische groei niet een doel op zichzelf mag zijn: het zou beschouwd moeten worden als een middel om ontwikkeling te realiseren en om het algemeen menselijk welzijn te bevorderen. De ontwikkelde landen zouden moeten erkennen dat vrede, veiligheid en menselijkheid enkel gerealiseerd kunnen worden als ze zelf bereid zijn om hun politiek aan te passen: ze zouden een beleid moeten voeren dat de huidige economische orde, die zo nadelig is voor de ontwikkelingslanden, effectief verandert. Om een dergelijke houding te stimuleren, hebben de Verenigde Naties het recht op ontwikkeling erkend als een fundamenteel onderdeel van de mensenrechten.
Toelichting bij Artikel 29
Mensen leven in een gemeenschap, waarin ze zowel rechten als plichten hebben. Artikel 29 stelt dat alle leden van een gemeenschap de plicht hebben om eigen rechten en vrijheden te eisen en te beschermen, maar ook om die van anderen te respecteren. Enkel zo worden binnen een gemeenschap de beste voorwaarden gecreëerd om deze rechten en vrijheden mogelijk te maken.
Ook de staat heeft een aantal plichten te vervullen met betrekking tot de uitoefening van de mensenrechten in de gemeenschap. Artikel 29 stelt dat de staat de mensenrechten niet zomaar kan beperken. Integendeel zelfs: de wetten van een democratische samenleving moeten juist het kader vormen waarin deze rechten en vrijheden uitgeoefend kunnen worden.
Het is de plicht van elk lid van een samenleving, en van de staat zelf in het bijzonder, om erover te waken dat enige beperking op de mensenrechten enkel gebeurt omwille van een geldige, erkende en rechtvaardige reden.
Toelichting bij Artikel 30
Dit artikel benadrukt dat de UVRM in geen geval mag misbruikt worden om afbraak van de mensenrechten te rechtvaardigen. Dit geldt zowel voor staten als voor groepen en individuen. Dit lijkt een contradictio in terminis, maar het kan gebeuren dat een artikel uit zijn context wordt gerukt en zo toegepast dat andere artikels geschonden worden of rechten gewoonweg afgeschaft worden.
Dit laatste artikel, maar eigenlijk de hele verklaring, vereist constante waakzaamheid en de moed om op te komen voor eigen rechten én voor die van anderen. Dit is de prijs die we allen moeten betalen opdat mensenrechten ooit, zowel in theorie als in praktijk, geldig kunnen zijn in de hele wereld, en voor iedereen die er leeft.
|