Nationale en internationale beschermingsinstrumenten

Verdragen (ook overeenkomst, conventie of protocol genoemd) zijn internationale juridische instrumenten die bindend zijn voor de aangesloten staten. Zodra de onderhandelingen voltooid zijn, wordt de tekst van een verdrag definitief bekrachtigd en “ondertekend” door de vertegenwoordigers van die staten.

Er zijn verschillende manieren voor een staat om te tonen dat deze ermee akkoord gaat om gebonden te zijn door een verdrag. De meest voorkomende zijn ratificatie en toetreding.

Een nieuw verdrag wordt “geratificeerd” door de staten die over het instrument onderhandeld hebben. Een staat die niet aan de onderhandelingen deelgenomen heeft, kan zich in een later stadium “toetreden” tot het verdrag. Zodra een vooraf bepaald aantal staten het verdrag geratificeerd hebben of zich erbij aangesloten hebben, wordt het van kracht.

Bij het ratificeren kan een staat voorbehoud aantekenen tegen één of meerdere artikelen in het verdrag, tenzij het verdrag het recht op voorbehoud niet toelaat. Het voorbehoud kan op elk moment teruggetrokken worden.

In bepaalde landen hebben internationale verdragen een grotere rechtskracht dan de nationale wetgeving; in andere landen kan een bepaalde wet nodig zijn om een internationaal verdrag, ondanks het feit dat het land zich bij dit verdrag aangesloten heeft of het geratificeerd heeft, dezelfde rechtsgeldigheid als een nationale wet te geven. In de praktijk moeten alle staten die een verdrag geratificeerd hebben of zich erbij aangesloten hebben decreten uitvaardigen, bestaande wetten amenderen of nieuwe wetgeving introduceren opdat een verdrag volledig van kracht is op het nationale territorium.

De bindende verdragen kunnen aangewend worden om regeringen te dwingen de verdragsbepalingen die relevant zijn voor de mensenrechten van LGBT-ers te respecteren. De niet-bindende instrumenten, zoals verklaringen en resoluties, kunnen in bepaalde situaties gebruikt worden om regeringen publiekelijk voor schut te zetten (regeringen die bezorgd zijn om hun internationale imago).

De volgende internationale en regionale verdragen leggen standaarden vast voor de bescherming van LGBT-ers:

Verenigde Naties

  • ILO Convention (No. 111) on Discrimination in Employment or Occupation (1958) (artikel 1)
    Dit verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie houdt geen verbod in op discriminatie op basis van seksuele oriëntatie; het laat toe dat staten er bijkomende redenen aan toevoegen. In Australië droeg in 1992 de omzetting van het verdrag in nationale wetgeving ertoe bij dat homoseksuelen uit het leger gebannen werden.

  • Het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (1966) (artikel 2, 26)
    Wat betreft seksuele oriëntatie is het Verdrag, het belangrijkste internationale verdrag over burgerlijke en politieke rechten, belangrijk omdat in 1994 in de zaak Toonen vs Australia de mensenrechtencommissie besliste dat verwijzingen naar “seks” in artikels 2, paragraaf 1, (niet-discriminatie) en 26 (gelijkheid voor de wet) van het ‘BUPO-verdrag’ ook seksuele oriëntatie moeten omvatten. Australië schafte bijgevolg de wet die homoseksualiteit verbood af in de deelstaat Tasmanië. Door deze zaak creëerde de mensenrechtencommissie een precedent binnen het VN mensenrechtensysteem door op te treden tegen de discriminatie van holebi’s.

  • Het Verdrag tegen Foltering en Andere Wrede, Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing (1984) (artikel 1)
    Dit verdrag is belangrijk omdat het niet beperkt is tot staatsactoren (regeringen), aangezien foltering in artikel 1 ruim omschreven wordt als “iedere handeling waardoor opzettelijk hevige pijn of hevig leed, lichamelijk dan wel geestelijk, wordt toegebracht aan een persoon met zulke oogmerken als om van hem of van een derde inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, hem te bestraffen voor een handeling die hij of een derde heeft begaan of waarvan hij of een derde wordt verdacht deze te hebben begaan, of hem of een derde te intimideren of ergens toe te dwingen dan wel om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie van welke aard ook, wanneer zulke pijn of zulk leed wordt toegebracht door of op aanstichten van dan wel met de instemming of gedogen van een overheidsfunctionaris of andere persoon die in een officiële hoedanigheid handelt”. Dit geeft blijk van de intentie om gevallen aan te pakken die binnen de reikwijdte van het verdrag vallen, indien een staat deze niet onderzoekt of tracht te voorkomen.

  • Verdrag inzake de Rechten van het Kind (1989) (artikel 2)
    Artikel 2 van het Kinderrechtenverdrag verbiedt de discriminatie van het kind en vereist dat regeringen alle maatregelen nemen om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen discriminatie. Dit verdrag kan relevant zijn om de discriminatie inzake seksuele oriëntatie van holebi’s en/of hun ouders aan te pakken.

  • Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen (CEDAW) (1981)
    Dit verdrag kan relevant zijn in gevallen van discriminatie tegen holebi’s of transseksuele vrouwen.

  • VN Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen
    Sinds april 1993 heeft de VN Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen (UNHCR) in verschillende “Advisory Opinions” erkend dat homo’s en lesbiennes deel uitmaken van een “bepaalde sociale groep” voor de doelstellingen van het Verdrag uit 1951 en het Protocol uit 1967 betreffende de Status van Vluchtelingen. In de publicatie “Bescherming van Vluchtelingen” stelt de UNHCR: “Homoseksuelen kunnen in aanmerking komen voor de status van vluchteling op basis van vervolging vanwege het feit dat zij deel uitmaken van een bepaalde sociale groep. Het maakt deel uit van het beleid van de UNHCR dat personen die te maken krijgen met aanslagen, onmenselijke behandeling of ernstige discriminatie vanwege hun homoseksualiteit, en die niet kunnen rekenen op de bescherming van hun regering omdat deze hen niet kan of wil beschermen, erkend zouden moeten worden als vluchteling”. (UNHCR/PI/Q&A-UK1.PM5/Feb.1996)

VN mechanismen die niet in verdragen zijn opgenomen

De VN mechanismen die niet gebaseerd zijn op verdragen zijn vooral nuttig in noodsituaties. De Commissie voor de Rechten van de Mens, het belangrijkste orgaan voor mensenrechten dat resoluties aanneemt en de aanzet geeft tot nieuwe verdragen werkt vooral via Speciale Rapporteurs (aangesteld per land en per thema) en Werkgroepen.

Seksuele oriëntatie werd reeds door twee ‘speciale rapporteurs’ behandeld:

Afrikaanse Unie (voormalige Organisation of African Unity, OAU)

Afrikaans Handvest voor de Rechten van de Mens en de Volkeren (1986)
Dit verdrag werd aangenomen door de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (nu Afrikaanse Unie). Het is het regionale mensenrechteninstrument dat door de grootste meerderheid aanvaard wordt, aangezien het door meer dan 50 landen geratificeerd is. Het veroordeelt discriminatie en biedt bescherming van bepaalde rechten, maar tot dusver heeft het controlerend en uitvoerend orgaan, de Afrikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens en de Volkeren, seksuele oriëntatie officieel nog niet behandeld.


Raad van Europa

Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (1950) (artikels 8 en 14)
Seksuele oriëntatie wordt niet expliciet vermeld in de bepalingen van het Verdrag. Niettemin werd de relevantie van het Verdrag (EVRM) aangetoond in een aantal rechtszaken waarin het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens besliste dat

discriminatie in het strafrecht van vrije relaties in de privé-sfeer tussen volwassenen
strijdig is met het recht op respect voor het privé-leven in artikel 8 van het EVRM
(Dudgeon v UK, 1981, Norris v Ireland, 1988, Modinos v Cyprus, 1993).

Het hof was het eerste internationale orgaan dat besliste dat strafrechtelijke wetten over seksuele oriëntatie de mensenrechten schenden; het beschikt ook over de oudste en omvangrijkste jurisprudentie inzake seksuele oriëntatie. Het jurisprudentierecht omvat eveneens een beslissing van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens uit 1997 (het eerste orgaan voor individuele klachten) dat

het leeftijdsverschil tussen homoseksuele en heteroseksuele mannen voor seksuele meerderjarigheid
discriminerend is en strijdig met artikel 14 van het EVRM met betrekking tot het recht op privacy

(Sutherland v UK).

Met betrekking tot discriminatie op grond van seksuele oriëntatie in het leger besliste het hof dat

het verbannen van homoseksuelen uit het leger een schending van artikel 8 was uit het EVRM
(Lustig-Prean en Becket v UK, 2000).

Ook in 2000 besliste het hof dat dit verdrag geschonden werd toen een man veroordeeld werd voor het hebben van homoseksuele groepsseks in de privé-sfeer (A.D.T v UK).

In Salgueiro da Silva Mouta v Portugal besliste het hof ook dat een homoseksuele vader het hoederecht over zijn kind niet ontzegd kan worden op basis van zijn (homo)seksuele oriëntatie. Hierdoor wordt volgens artikel 8 uit het EVRM het recht van de vader op zijn familieleven geschonden. Het hof bevestigde dat het niet-discriminatieprincipe van het EVRM met inbegrip van seksuele oriëntatie geïnterpreteerd moest worden.

De visie van het hof op de toepassing van het verdrag inzake kwesties van seksuele oriëntatie impliceert een aantal beperkingen zoals de beslissing dat

sadomasochisme tussen mannen, hoewel in de privé-sfeer en tussen volwassenen
die hiermee instemmen, uit gezondheidsoverwegingen verboden kan worden
(laskey, Jaggard en Brown v UK, 1997).

Het hof besliste ook dat het ‘recht op de eerbiediging van prive- en familieleven’ niet van toepassing is op transseksuele relaties en bevestigde de Britse beslissing dat alleen een biologische man, geen transseksueel, als vader erkend kan worden (X, Y en Z v UK, 1997).


Het Europees Sociaal Handvest (1961)
Dit verdrag beschermt de economische en sociale rechten en de Europese Commissie voor Sociale rechten onderzoekt de mensenrechtensituatie van de lidstaten. Zij kan groepen horen die een adviserende rol hebben binnen de Raad van Europa, zoals de International Lesbian and Gay Association (ILGA).

De Commissaris voor de Rechten van de Mens werd in 1999 door de raad van Europa aangesteld. Het Bureau van de Commissaris voor de Rechten van de Mens is een onafhankelijke instantie binnen de Raad van Europa die instaat voor de bewustmaking en het respecteren van de rechten van de mens in de lidstaten. De Commissaris kan individuele klachten ontvangen en heeft seksuele oriëntatiekwesties behandeld in rapporten en tijdens bezoeken aan lidstaten.

De Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa heeft een belangrijke taak met het toezicht houden op de mensenrechtensituatie in de lidstaten en de staten die lid willen worden van de Raad van Europa. Verscheidene staten hebben hun strafrechtelijke wetten tegen holebi’s afgeschaft voor ze als lid aanaard werden of voor ze aangemaand werden om hun beloften na te komen.

De Parlementaire Vergadering heeft verschillende (niet-bindende) resoluties en aanbevelingen met betrekking tot seksuele oriëntatie en de standaarden van de Raad van Europa aangenomen: Aanbeveling 924/1981 was de eerste en diende om de discriminatie van holebi’s te stoppen; zij werden gevolgd door verschillende resoluties die lidstaten verzoeken om asielrechten te verlenen aan diegenen die vervolgd zijn op basis van hun seksuele oriëntatie, een verblijfplaats aan te bieden en immigratierechten toe te kennen aan binationale homoseksuele koppels, alsook gelijke rechten voor personen van hetzelfde geslacht met een samenlevingscontract.


Europese Unie (EU)

Verschillende EU-wetten bieden bescherming tegen discriminatie op grond van seksuele oriëntatie. Bijkomende voorwaarden verwijzen naar de mensenrechtensituatie in kandidaat lidstaten van de EU.

  • De oprichtingsverdragen van de EU werden geamendeerd in het Verdrag van Amsterdam om de EU de mogelijkheid te bieden discriminatie op grond van seksuele oriëntatie te bestrijden. Op 1 mei 1999 werd de volgende bepaling in artikel 13 van het verdrag van kracht in het eerste internationale verdrag ooit dat seksuele oriëntatie expliciet vermeldt en beschermt:

“… de Raad kan, met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van
het Europees Parlement, passende maatregelen nemen om discriminatie op grond van geslacht, ras of
etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden”.

  • In december 2000 nam de raad een (bindende) algemene Kaderrichtlijn betreffende gelijke behandeling in arbeid en beroep aan die directe en indirecte discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, leeftijd, handicap of seksuele oriëntatie verbiedt. Deze richtlijn is bindend voor de huidige lidstaten, terwijl in de kandidaat lidstaten de nationale implementatie van de richtlijn voltooid moet zijn voor zij toetreden tot de EU.

  • Het Europees Charter van Fundamentele Rechten is de Europese code voor fundamentele rechten die in december 2000 in Nice afgekondigd werd. Het is momenteel nog een niet-bindend document maar het is belangrijk omdat het de EU-visie inzake mensenrechten uitdrukt. Voor holebi’s is het Charter belangrijk vanwege de expliciete niet-discriminerende bepalingen in artikel 21 (1):

“Elke vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afstamming,
genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere overtuiging, nationale of
maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele oriëntatie is verboden”.

  • Het Europees Parlement (EP) nam verschillende (niet-bindende) resoluties aan inzake mensenrechten en seksuele oriëntatie. De eerste, aangenomen in 1984, riep op tot de beëindiging van discriminatie in de werkomgeving op basis van seksuele oriëntatie. In 1994 gaf het Rapport Roth een gedetailleerd overzicht van de verschillende vormen van discriminatie tegen homo’s en lesbiennes in de EU; het parlement nam eveneens een aanbeveling aan over de afschaffing van alle vormen van discriminatie op het vlak van seksuele oriëntatie.
    Hoewel zijn bevoegdheden beperkt zijn, kan het EP een aanzienlijke politieke druk uitoefenen op de Raad en de Commissie. Zo verzocht het hen in 1999 om “de kwestie discriminatie tegen holebi’s tijdens toetredingsonderhandelingen, indien nodig, aan te halen”.
    Met betrekking tot de uitbreiding van de Europese Unie nam het EP in 1998 een resolutie aan die stelde dat het “niet zal instemmen met de toetreding van een land dat, door zijn wetgeving of beleid, de mensenrechten van holebi’s schendt”.

  • De EU-wetgeving beschouwt discriminatie van transseksuele mensen als een vorm van discriminatie op grond van geslacht. Dit principe ontstond toen het Hof van Justitie in 1996 in de zaak P v S en Cornwall County Council besliste dat het ontslaan van een persoon wegens het ondergaan van een geslachtsoperatie een discriminatie was op basis van het geslacht. (Rechtszaak C-13/94, P v S en Cornwall County Council [1996] ECR I-2143). “Discriminatie in verband met Genderidentiteit” is een term die momenteel gebruikt wordt om discriminatie van transseksuele personen te omschrijven.

Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS)

De eerste zaak in verband met mensenrechten en seksuele oriëntatie in het Inter-Amerikaans systeem is die van Marta Alvarez die een verzoekschrift tegen Colombia indiende bij de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens (Velasquez Rodriguez v Honduras, 1998). Haar werd het recht op gelijke behandeling ontzegd door de weigering van de Colombiaanse gevangenisautoriteiten om haar “bezoek van de huwelijkspartner” toe te staan, omdat zij lesbienne was. De Colombiaanse wet bepaalt dat alle burgers recht hebben op “gezinsbezoek”, zonder onderscheid te maken in seksuele oriëntatie.


Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking (OVSE)

De Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) is de grootste regionale veiligheidsorganisatie in de wereld met 55 deelnemende landen in Europa, Centraal Azië en Noord-Amerika. De OVSE ontstond in 1975 door de ondertekening, in Helsinki, van de slotakte, die een bepaling bevatte waarin stond

“dat de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gerespecteerd moeten worden,
inclusief de vrijheid van meningsuiting, bewustzijn, godsdienst en overtuiging”,
alsook “gelijke rechten en het recht op zelfbeschikking van volkeren”.

De Parlementaire Vertegenwoordiging van de OVSE heeft in 1995 een verklaring goedgekeurd om de lidstaten ertoe aan te zetten gelijke bescherming tegen discriminatie te bieden, waarbij seksuele oriëntatie één van de rechten is die bijzondere bescherming geniet.


Nationale diensten voor bescherming en dienstverlening

Nationale bescherming van seksuele oriëntatie wordt in verschillende staten voorzien in de wet, in de praktijk of in beide, maar dat is zeker niet overal het geval. Verschillende staten of provincies hebben clausules in hun grondwet opgenomen betreffende de bescherming tegen discriminatie op grond van seksuele oriëntatie: Zuid-Afrika, Ecuador, een aantal staten van Australië, Canada, Brazilië… Andere staten hebben anti-discriminatiewetten of artikels met betrekking tot seksuele oriëntatie in hun strafrecht opgenomen, zoals Nederland en Roemenië. De anti-discriminatiebepalingen worden gewoonlijk aangenomen door seksuele oriëntatie als grond voor niet-discriminatie van bij het begin op te nemen in de wetgevende initiatieven.

In de praktijk is de implementatie van bestaande anti-discriminatiebepalingen afhankelijk van de politieke wil. Sommige staten hebben overheidsagentschappen in het leven geroepen om discriminatie te onderzoeken (seksuele oriëntatie), en een aantal van hen kan juridische stappen zetten in de richting van rechtsmiddelen ten bate van het slachtoffer (Nederland, Zweden Ierland).

De EU Kaderrichtlijn betreffende gelijke behandeling in arbeid en beroep is momenteel het enige internationale instrument dat EU-lidstaten, en in een later stadium, kandidaat-lidstaten van de EU kan verplichten om op nationaal niveau een anti-discriminatiebeleid te implementeren dat onder andere op seksuele oriëntatie als grond gebaseerd is.