Het mensenrechtensysteem van de VN

Verdragsinstrumenten ter bescherming en bevordering van de mensenrechten

Internationaal recht heeft voorrang op de eigen wetten van een staat. Wanneer een staat een verdrag ondertekent belooft het de bepalingen van het verdrag om te zetten in de eigen wetgeving. Hierdoor verschillen verdragsinstrumenten van deze gebaseerd op het Handvest. Terwijl de instrumenten gebaseerd op het VN Handvest soms niet wettelijk bindend zijn of de toelating vereisen om te worden uitgevoerd, worden verdragen ondersteund door de normen van het internationaal recht en zijn daarom juridisch bindend.

Instrumenten van internationaal recht hebben de vorm van een verdrag (ook overeenkomst, conventie, protocol genoemd), dat bindend kan zijn voor de staten die deze overeenkomst afsluiten. Bij het afronden van de onderhandelingen wordt de authentieke en definitieve tekst van een verdrag vastgelegd, en door de vertegenwoordigers van staten ondertekend. Er zijn verschillende manieren om aan te geven dat een staat ermee akkoord gaat door een verdrag gebonden te zijn. Ratificatie of toetreding zijn de meest voorkomende. Een nieuw verdrag wordt ‘geratificeerd’ door de staten die bij de onderhandelingen erover betrokken waren. Een staat die niet betrokken was bij deze onderhandelingen kan later ‘toetreden’ tot het verdrag. Het verdrag treedt in werking op het ogenblik dat een vooraf bepaald aantal staten het hebben geratificeerd of ertoe zijn toegetreden.

Bij het ratificeren van of het toetreden tot een verdrag kan een staat voorbehouden maken bij één of meer artikels van het verdrag, tenzij het verdrag zelf dit verbiedt. Normaal gesproken kunnen dergelijke voorbehouden op eender welk tijdstip terug ingetrokken worden. In sommige landen staan internationale verdragen boven de nationale wetgeving. In andere landen kan een speciale wet nodig zijn om een internationaal verdrag, ondanks ratificatie of toetreding, kracht van (nationale) wet te geven. Bijna alle staten die een internationaal verdrag ratificeerden of ertoe toetraden, moeten daarna besluiten uitvaardigen, bestaande wetten aanpassen of nieuwe wetgeving invoeren opdat het verdrag op het nationaal territorium helemaal effectief zou zijn.

De VN beschikt thans over zeven mensenrechtenverdragen: het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten (ECOSOC-verdrag); het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke rechten (BUPO-verdrag); het Internationaal Verdrag inzake de Afschaffing van Alle Vormen van Rassendiscriminatie (ICERD); het Verdrag inzake de Afschaffing van Alle Vormen van Discriminatie tegenover Vrouwen (CEDAW); het Verdrag tegen Foltering en Andere Wrede Onmenselijke of Vernederende Behandeling en Bestraffing (CAT); het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (CRC); en het Internationaal Verdrag inzake de Bescherming van de Rechten van Alle Migranten Werknemers en de Leden van hun Familie.

Elk van de zeven mensenrechtenverdragen beschikt over een toezichthoudend orgaan samengesteld uit onafhankelijke deskundigen die de verslagen onderzoeken die hen door de ondertekenende staten onder dit verdrag worden voorgelegd. Deze comités hebben tevens de opdracht “concluderende vaststellingen” te formuleren bij de samenvatting van hun bezorgdheid inzake bepaalde staten en tevens aanbevelingen voor de toekomst te doen.

Vier van de verdragscomités beschikken over mechanismen om individuele klachten van schendingen van mensenrechten onder de betrokken verdragen rechtstreeks aan te pakken. Deze vier lichamen zijn: het Mensenrechtencomité voor het BUPO-verdrag; het Comité inzake de Afschaffing van Rassendiscriminatie voor het CERD; het Comité voor de Afschaffing van alle Vormen van Discriminatie tegenover Vrouwen voor het CEDAW; en het Comité tegen Foltering voor het CAT. Er zijn strikte regels die bepalen in welk geval een individu een formele klacht mag indienen bij een van de controleorganen. Vooraf moeten alle lokale mogelijkheden om het misbruik op te lossen uitgeput zijn. Daarenboven dient het individu die de klacht formuleert onder de jurisdictie te vallen van een Staat die partij is bij het verdrag. De aanklacht mag niet anoniem gebeuren en moet ofwel van het slachtoffer zelf komen, ofwel van diens vertegenwoordiger; in uitzonderingsgevallen, waarin het voor beide niet mogelijk is klacht in te dienen, mag een derde niet-anonieme partij klacht indienen. Het betreffende voorval moet plaatsgegrepen hebben op of na de datum waarop het verdrag in voege trad of na de datum waarop de betrokken staat het verdrag ondertekende (de laatste van beide data geldt).

Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (ECOSOC)

Dit Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (ECOSOC) werd in 1966 aangenomen door de Verenigde Naties en werd 10 jaar later van kracht. Zoals dit voor het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten het geval is, kan de tijdspanne die nodig was voor het ECOSOC-verdrag om van kracht te worden gedeeltelijk toegeschreven worden aan de Koude Oorlog, waarin de communistische regimes, die opkwamen voor economische, sociale en culturele rechten, lijnrecht stonden tegenover de westerse kapitalistische democratieën, die de burgerlijke en politieke rechten, zoals gecodificeerd in het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, het hoogst aansloegen. Het ECOSOC-verdrag wordt gecontroleerd door het Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten.

Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten

Het verdrag zelf voorzag niet in de oprichting van een toezichthoudend orgaan, waardoor in de eerste dagen van het ECOSOC-verdrag de staten die het verdrag hadden goedgekeurd aan een werkgroep van ECOSOC rapporteerden. In 1986 nam het Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (CESCR), als een onafhankelijk comité van deskundigen, deze rol van toezicht over de uitvoering van het verdrag over. Heden ten dage beschikt het Comité niet over een mechanisme om individuele klachten te behandelen, hoewel in 1996 het CESCR aan de Commissie Mensenrechten een voorstel van een facultatief protocol had overgemaakt, dat deze procedure van klachtenbehandeling omvatte. Drie keer per jaar worden te Genève vergaderingen gehouden.

Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten
(BUPO-verdrag)

Het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten werd in 1966, zoals het ECOSOC-verdrag, door de VN aangenomen, maar het trad slechts in 1976 in voege. Net zoals het ECOSOC-verdrag ondervond het BUPO-verdrag ten gevolge van de Koude Oorlog een grote vertraging bij de ratificatie. Deze twee verdragen werden afzonderlijk ondertekend omwille van de opvatting dat burgerlijke en politieke rechten zouden moeten gewaarborgd worden vanaf het ogenblik dat een staat het verdrag ondertekende, maar dat dit -hoewel wenselijk- niet haalbaar was voor de economische, sociale en culturele rechten. Het behoorde tot de verwachtingen dat de toepassing van sociale en economische rechten veel tijd in beslag zou nemen en derhalve niet aan een natie die het verdrag geratificeerd had op basis van de ratificatie kon opgelegd worden.

Dit inzicht betreffende de toepassing kan worden herkend in de formulering van het respectievelijke tweede artikel van deze beide verdragen. In artikel 2, paragraaf 1 van het BUPO-verdrag verplicht het verdrag een staat “voor alle individuen …de bij dit Verdrag erkende rechten te respecteren“, terwijl in het andere een staat "stappen onderneemt …om zijn beschikbare middelen in te schakelen om progressief de volledige toepassing van de rechten van dit verdrag te waarborgen“ (artikel 2, paragraaf 1). Het BUPO-verdrag wordt gecontroleerd door het mensenrechtencomité.

Deze twee verdragen samen omvatten de meeste bepalingen die zijn opgenomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Verder maken zij de bepalingen bindend voor de naties die partij zijn bij de verdragen. Het geheel van de twee verdragen met hun facultatieve protocols samen met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is bekend als de ‘International Bill of Human Rights’.

Mensenrechtencomité

Het Mensenrechtencomité werd opgericht om erover te waken dat de rechten uit het BUPO-verdrag worden beschermd. Het is samengesteld uit 18 vertegenwoordigers die voor een termijn van vier jaar verkozen worden, en als onafhankelijken en niet als vertegenwoordigers van hun staat van herkomst functioneren. Het comité is gevestigd in Genève. Zijn rol bestaat uit vier kerntaken:
- verslagen onderzoeken die door de staten worden voorgelegd over de stappen die ze hebben ondernomen ter naleving in hun staat van de bepalingen van het verdrag;
- de informatie nagaan overgemaakt die door een staat wordt overgemaakt waarbij een andere toegetreden staat ervan beschuldigd wordt het verdrag op de een of andere wijze te schenden;
- klachten van individuen onderzoeken tegen staten die het verdrag hebben ondertekend zowel als verslagen door NGO’s opgemaakt;
- “Algemene Commentaren” opstellen en verspreiden.

Elke staat die tot het BUPO-verdrag toetrad is ertoe gehouden elk jaar verslag uit te brengen aan het Mensenrechtencomité "omtrent de maatregelen die werden genomen inzake de rechten die hierin vervat zijn en de vooruitgang die bij de toepassing ervan werd gemaakt” (BUPO-verdrag, artikel 40). Deze verslagen dienen zowel een algemeen als een specifiek deel te hebben. Het algemeen deel van het verslag dient gegevens en statistieken te bevatten inzake de actuele structuren in het land ter bescherming van de rechten vervat in het verdrag, terwijl het specifieke deel informatie dient te geven over elk artikel van het BUPO-verdrag, zowel als informatie betreffende arresten en de mate waarop de rechten in de toegetreden staten worden toegekend.

Aangesloten staten kunnen verslag uitbrengen over andere aangesloten staten die de verdragsbepalingen niet nakomen. In dat geval wordt het verslag eerst overgemaakt aan de in gebreke gebleven staat. Als dit door de staat niet degelijk wordt aangepakt kan dit overgemaakt worden aan het Mensenrechtencomité voor verder onderzoek. Hoewel deze procedure bestaat werd er nog nooit gebruik van gemaakt.

Voor het BUPO-verdrag moet de betroffen staat het optionele protocol van het verdrag, dat het indienen van individuele klachten mogelijk maakt, onderschreven hebben. Wanneer deze voorwaarde vervuld is wordt de klacht in drie stappen behandeld: het registreren van de klacht, het onderzoek of de klacht al dan niet aan de voorwaarden voldoet en een mededeling dat de klacht al dan niet onder het BUPO-verdrag valt en derhalve in aanmerking komt. Wanneer het Mensenrechtencomité een klacht onderzoekt zal dit Comité zijn “inzichten” ter zake in een jaarlijkse mededeling kenbaar maken. Hoewel deze standpunten een regering of overheidsadministratie kunnen veroordelen, beschikt het Comité niet over middelen om de schuldigen op de een of andere manier te sanctioneren noch om zijn standpunten op te leggen.

Internationaal Verdrag inzake de Afschaffing van alle Vormen van Rassendiscriminatie (ICERD)

Het Internationaal Verdrag inzake de Afschaffing van alle Vormen van Rassendiscriminatie werd in 1965 aangenomen en trad in 1969 in voege. Het beoogt alle vormen van rassendiscriminatie uit te bannen en wordt gecontroleerd door een Comité voor de Afschaffing van Rassendiscriminatie.

Comité voor de Afschaffing van Rassendiscriminatie

Het Comité voor de Afschaffing van Rassendiscriminatie (CERD) is er om toezicht te houden op de staten die zijn toegetreden tot het CERD. Het bestaat uit 18 onafhankelijke deskundigen die verkozen zijn voor het CERD door de staten die tot het verdrag zijn toegetreden. Zij vergaderen jaarlijks in Genève gedurende twee sessies van drie weken.

De kerntaken van het CERD zijn dezelfde als deze van het Mensenrechtencomité:
- verslagen onderzoeken van staten inzake de maatregelen die ze namen voor de toepassing van het verdrag;
- informatie onderzoeken overgemaakt door een toegetreden staat waarin een andere toegetreden staat ervan beschuldigd wordt op enigerlei wijze het verdrag te overtreden;
- klachten onderzoeken van individuen tegen staten die het verdrag ondertekend hebben;
- “Algemene Commentaren” formuleren.

Verdrag inzake de Afschaffing van Alle Vormen van Vrouwendiscriminatie (CEDAW-verdrag)

Het Verdrag inzake de Afschaffing van Alle Vormen van Vrouwendiscriminatie
werd aangenomen in 1979 en werd van kracht in 1981. Het is gericht op opvoeding, tewerkstelling, gezondheid, huwelijk en gezin, gezien elk van deze thema’s specifiek op vrouwen betrekking heeft. Het CEDAW-verdrag roept op tot de afschaffing van vrouwendiscriminatie in de samenleving, alsmede tot het aannemen van wetgeving ten voordele van de rechten van de vrouw. Er wordt toezicht op gehouden door een Comité voor de Afschaffing van Alle Vormen van Vrouwendiscriminatie.

Comité voor de Afschaffing van Alle Vormen van Vrouwendiscriminatie

Het Comité voor de Afschaffing van Alle Vormen van Vrouwendiscriminatie (het CEDAW Comité) controleert de toepassing van het CEDAW verdrag. Het bestaat uit 23 onafhankelijke experts gekozen door de staten die zijn toegetreden tot het verdrag. Een van de vier controlecomités kan vertrouwelijke onderzoeken instellen op basis van klachten van individuen.

Zoals het Comité voor de Afschaffing van Rassendiscriminatie en het Mensenrechtencomité, heeft het CEDAW comité vier kerntaken:
- verslagen onderzoeken van staten inzake de maatregelen die ze namen voor de toepassing van het verdrag;
- informatie onderzoeken overgemaakt door toegetreden staten waarin andere toegetreden staten ervan beschuldigd worden op enigerlei wijze het verdrag te schenden;
- klachten van individuen onderzoeken tegen staten die het verdrag ondertekend hebben;
- “Algemene Commentaren” formuleren inzake de toepassing van het verdrag, in acht genomen de schriftelijke verslagen die onder meer door NGO’s worden uitgebracht, en die commentaren overmaken aan de Secretaris Generaal.

Verdrag inzake Foltering en andere Wrede, Onmenselijke of Onterende Behandeling en Bestraffing (CAT)

Het Verdrag inzake Foltering en andere Wrede, Onmenselijke en Onterende Behandeling of Bestraffing (CAT) werd in 1984 aangenomen en trad in 1987 in werking. Naast andere bepalingen verbiedt het marteling en verkrachting als wapen in oorlogstijd. Op het verdrag wordt toezicht gehouden door het Comité tegen Foltering.

Comité tegen Foltering

Het Comité tegen Foltering is er om de toepassing van het Verdrag tegen Foltering te controleren. Het bestaat uit tien onafhankelijke deskundigen gekozen door de leden van het Verdrag. Het Comité vergadert tweemaal per jaar, gedurende twee tot drie weken, in Genève, en legt een jaarrapport voor aan de Algemene Vergadering van de VN.

Het Comité tegen Foltering deelt vier van haar vijf kerntaken met het Mensenrechtencomité, het Comité inzake de Afschaffing van Alle vormen van Rassendiscriminatie en het CEDAW Comité.
Haar taken:
- verslagen onderzoeken van staten inzake maatregelen die ze nemen voor de toepassing van het verdrag;
- informatie onderzoeken die werd overgemaakt door een toegetreden staat waarin een andere toegetreden staat ervan beschuldigd wordt op een of andere manier het verdrag te schenden;
- klachten van individuen onderzoeken tegen staten die het verdrag ondertekend hebben;
- geschreven “Algemene Commentaren” formuleren inzake de toepassing van het verdrag door elke staat, in acht genomen de schriftelijke verslagen die ook door NGO’s worden uitgebracht, en deze commentaren overmaken aan de Secretaris Generaal.
Daarenboven onderzoekt CAT eveneens aantijgingen van algemene systematische vormen van marteling.

Verdrag inzake de Rechten van het Kind (CRC)

Het Verdrag inzake de Rechten van het Kind werd in november 1989 aangenomen en werd minder dan een jaar later, in september 1990, van kracht. Het is het mensenrechtenverdrag van de VN dat wereldwijd het meest werd bekrachtigd. Het beschermt kinderen onder andere tegen economische en seksuele uitbuiting, en wordt gecontroleerd door het Comité inzake de Rechten van het Kind.

Comité inzake de Rechten van het Kind

Het Comité inzake de Rechten van het Kind controleert de toepassing van het kinderrechtenverdrag. Terwijl het comité op dezelfde wijze tewerk gaat als de andere comités is er geen klachtenprocedure voor individuen voorzien in het Verdrag, noch in de twee optionele protocols : het Facultatieve Protocol bij het Kinderrechtenverdrag inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie, en het Facultatieve Protocol bij het kinderrechtenverdrag inzake de betrokkenheid van kinderen in gewapende conflicten.
Toch onderzoekt het comité ook de rapporten van staten die haar worden overgemaakt en doet het algemene aanbevelingen aan de Algemene Vergadering inzake de staten die partij zijn bij het verdrag en over hun naleving van het Verdrag.

Internationaal Verdrag inzake de Bescherming van de Rechten van Alle Migranten Werknemers en hun Familie

Het laatste van de VN mensenrechtenverdragen, met name het Internationaal Verdrag inzake de Bescherming van de Rechten van Alle Migranten Werknemers en hun Familie, werd aangenomen in 1990 en werd van kracht op 1 juli 2003. Het toezicht erop is in handen van het Comité voor het Internationale Verdrag inzake de Bescherming van de Rechten van Alle Migranten Werknemers en hun Familie.

Comité inzake de Bescherming van de Rechten van Alle Migranten Werknemers en hun Familie

Het Comité inzake de Bescherming van de Rechten van Alle Migranten Werknemers en hun Familie houdt toezicht op het verdrag met dezelfde naam. Het bestaat uit 10 leden met als taken:

  • het onderzoek van verslagen van landen die aan hen worden overgemaakt;
  • het opmaken van algemene aanbevelingen.

Volgens het verdrag zal het mogelijk zijn klachten van individuen te behandelen zodra een minimum van tien staten deze procedure hebben aanvaard.

De oorspronkelijke (Engelstalige) versie van deze tekst werd samengesteld door Elizabeth Strenio.en vertaald door Johan Vandendriessche.
Copyright © Human Rights Education Associates (HREA), 2003. Alle rechten voorbehouden.

De vertaling naar het Nederlands werd door Human Rights Education Associates aan VORMEN toegestaan.