- Internationale en regionale instrumenten voor bescherming en promotie
-
- Verenigde Naties
- Afrikaanse Unie
- Andere regionale organisaties
-
Instrumenten van internationaal recht bestaan onder de vorm van verdragen (ook overeenkomst, conventie, of protocol genoemd), bindend voor de staten die deze overeenkomsten afsluiten. Na het afronden van de onderhandelingen wordt de verdragtekst voor echt en definitief opgemaakt en door de vertegenwoordigers van de staten ondertekend. Een staat kan zich op verscheidene manieren verbinden tot de toepassing van een verdrag. De meest gangbare manieren zijn de ratificatie of de toetreding. Een nieuw verdrag wordt geratificeerd door de staten die bij de onderhandelingen erover waren betrokken. Een staat die niet heeft deelgenomen aan de onderhandelingen kan op een latere datum nog tot het verdrag toetreden. Het verdrag wordt van kracht of wordt geldend zodra een vooraf bepaald aantal staten het verdrag hebben geratificeerd of er tot zijn toegetreden.
Bij het ratificeren van of het toetreden tot een verdrag kan een staat voorbehoud maken met betrekking tot één of meerdere artikelen van het verdrag, tenzij het verdrag elk voorbehoud uitsluit. Dit voorbehoud kan doorgaans op elk ogenblik worden ingetrokken. In sommige landen hebben internationale verdragen voorrang op de nationale wetten, in andere landen is er mogelijk een specifieke wet vereist, welke aan een internationaal geratificeerd verdrag kracht van nationale wetgeving toekent.
Praktisch alle staten die een internationaal verdrag hebben geratificeerd of er tot zijn toegetreden moeten decreten uitvaardigen, bestaande wetten aanpassen of nieuwe wetgeving invoeren om het verdrag op het eigen grondgebied zijn volle toepassing te waarborgen.
De bindende verdragen kunnen worden aangewend om regeringen ertoe te verplichten de verdragsbepalingen van belang voor het recht op familie te eerbiedigen De niet-bindende instrumenten zoals verklaringen en resoluties, kunnen in relevante situaties worden gebruikt om druk uit te oefenen op regeringen door mogelijke blootstelling aan negatieve publiciteit ; regeringen, gevoelig voor hun internationaal imago, passen als gevolg hiervan mogelijk hun beleidsvorming aan.
Vele internationale verdragen hebben een mechanisme om de implementatie van het verdrag te controleren.
Volgende internationale en regionale instrumenten beschermen en bevorderen de rechten van kinderen en jongeren:
VERENIGDE NATIES
Verdrag inzake de Rechten van het Kind
De allereerste verbintenis met betrekking tot kinderrechten was de Verklaring van de Rechten van het Kind, ook bekend als de Verklaring van Genève, die de Volkenbond in 1924 aannam. De verklaring van Genève werd vervolgens bijgewerkt en uitgebreid in 1948 en leidde tot de VN Verklaring van de Rechten van het Kind, die de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met unanimiteit aannam (20 november 1959). Deze verklaring werd op haar beurt uitgebreid en ontwikkeld tot het VN Verdrag inzake de Rechten van het Kind, dat op 20 november 1989 unaniem werd goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
Het Verdrag inzake de Rechten van het Kind bevat 54 artikelen en is een uitgebreid instrument dat rechten creëert die de universele principes en normen voor de status van kinderen uitlijnt. Het is het enige internationale mensenrechtenverdrag dat het hele spectrum van burgerlijke, politieke, sociale, culturele en economische rechten omvat. De economische en sociale rechten waarvan sprake, zijn progressief realiseerbaar en hangen af van de middelen van de verdragsstaat.
Het verdrag biedt een hogere graad van bescherming en hulp voor minderjarigen dan andere internationale instrumenten. De beschermingsstandaarden gaan bijvoorbeeld verder dan de gewoonlijke waarborgen voor gezondheid, onderwijs en welvaart, meer bepaald op het vlak van het recht op persoonlijke ontwikkeling voor het kind, het recht op privacy en de vrijheden van meningsuiting, religie, vergadering en vereniging.
Het Verdrag inzake de Rechten van het Kind werd geratificeerd door meer landen dan eender welk ander mensenrechtenverdrag. Sinds maart 2003 is het geratificeerd door alle landen ter wereld, behalve twee: de Verenigde Staten, die het wel tekenden, maar niet ratificeerden, en Somalië, dat niet over een representatieve regering beschikt die het verdrag zou kunnen ratificeren (Somalië ondertekende het verdrag in 2002).
Twee protocollen werden aan het verdrag toegevoegd. Ze bieden extra bescherming op twee terreinen:
Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de Rechten van het Kind betreffende de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie (2000)
Dit facultatieve protocol is ontworpen om kinderprostitutie, kinderpornografie en de verkoop en onwettelijke adoptie van kinderen strafbaar te maken. Het protocol werd van kracht op 18 januari 2002.
Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de Rechten van het Kind betreffende de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten (2000)
Dit protocol bepaalt dat de toegestane leeftijd voor deelname aan een gewapend conflict 18 jaar is. Het verbiedt bovendien de gedwongen indiensttreding onder 18 jaar. De vrijwillige indiensttreding onder 18 jaar wordt niet verboden, maar het protocol verplicht staten wel om bij de ratificatie van het verdrag een verklaring af te leggen over de toegestane leeftijd voor vrijwillige indiensttreding en om aan te tonen dat stappen ondernomen worden om gedwongen indiensttreding tegen te gaan. Het protocol werd van kracht op 12 februari 2002.
De VN Commissie voor de Rechten van het Kind
De verdragspartijen bij het Verdrag inzake de Rechten van het Kind rapporteren aan de VN Commissie voor de Rechten van het Kind. Dat is een instelling bestaande uit 18 onafhankelijke experts, die worden benoemd voor een periode van vier jaar. Ze ontmoeten elkaar drie maal per jaar in Genève en beschikken over een klein permanent secretariaat bij de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN.
De commissie onderzoekt de vooruitgang die de verdragspartijen maken bij het naleven van hun verplichtingen. Ze ziet enkel toe op landen die het verdrag hebben geratificeerd. De regeringen moeten regelmatig rapporten inleveren. De commissie onderzoekt deze rapporten tijdens mondelinge verhoren en verzamelt informatie bij externe bronnen, zoals niet-gouvernementele en intergouvernementele organisaties. Het Verdrag inzake de Rechten van het Kind is trouwens het enige internationale verdrag dat aan ngos een controlerende rol toekent. De commissie onderzoekt geen individuele klachten.
Speciale Rapporteur betreffende de handel in kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie
De Mensenrechtencommissie van de VN benoemde in 1990 een Speciale Rapporteur voor de handel in kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie. Die is verantwoordelijk voor de voorbereiding van een jaarlijks rapport aan de Commissie, de uitvoering van onderzoek ter plaatse en het opstellen van verslagen per land.
IAO Verdrag (138) inzake de Minimumleeftijd voor Tewerkstelling (1973)
Dit verdrag werd in 1973 gesloten en wordt door de Commissie voor de Rechten van het Kind als de standaardnorm beschouwd. De principes zijn toepasselijk op alle economische sectoren. De ratificerende staten moeten een minimumleeftijd voor tewerkstelling vastleggen, een nationale politiek uitdenken om kinderarbeid te voorkomen en op progressieve wijze de minimumleeftijd voor tewerkstelling optrekken tot een niveau dat de volledige fysieke en mentale ontwikkeling van jongeren garandeert.
Verklaring van Sociale en Wettelijke principes inzake de Bescherming en het Welzijn van Kinderen, met bijzondere verwijzing naar Plaatsing in een Pleeggezin en Nationale en Internationale Adoptie (1986)
Deze verklaring schept belangrijke richtlijnen voor pleegouderschap en adoptie, nationaal en internationaal, van kinderen die onvoldoende ouderlijke zorg genieten.
IAO Verdrag (182) inzake het Verbod op en de Onmiddellijke Maatregelen tegen de Ergste Vormen van Kinderarbeid (1999)
Verschillende internationale verdragen ter bescherming van arbeidsrechten werden goedgekeurd onder het toezicht van de Internationale Arbeidsorganisatie. Het IAO Verdrag 182 verbiedt de ergste vormen van kinderarbeid, waaronder slavernij, lijfeigenschap door verkoop of schuld, dwangarbeid, rekrutering voor gewapende troepen, prostitutie, drugshandel of andere illegale activiteiten, of ander werk dat de gezondheid, veiligheid of morele waarden van kinderen bedreigt.
Andere
Er zijn nog andere VN mensenrechtenverdragen en mensenrechteninstellingen die de belangen van kinderen verdedigen. Sommige instellingen, zoals de Commissie inzake de Uitbanning van Vrouwendiscriminatie of de Commissie voor de Uitbanning van Discriminatie op basis van Ras verwijzen specifiek naar kinderen. Andere bepalingen zijn zowel van toepassing op kinderen als op volwassenen.
Internationaal humanitair recht en internationaal vluchtelingenrecht
De Verdragen van Genève (1949) en hun facultatieve protocollen bepalen de grondlijnen van het internationaal humanitair recht en bevatten zowel specifieke als algemene bepalingen die de rechten van kinderen in conflictsituaties beschermen. Het Vluchtelingenverdrag van 1951 beschermt op dezelfde wijze jonge asielzoekers en vluchtelingen.
Volgens de normen van het internationale gewoonterecht kunnen alle kinderen beschermd worden tegen, onder andere: slavernij en slavenhandel; foltering of andere wrede, onmenselijke of vernederende bestraffingen of behandelingen; systematische discriminatie op basis van ras; willekeurige opsluiting.
AFRIKAANSE UNIE (VROEGER: ORGANISATIE VAN AFRIKAANSE EENHEID, OAU)
Afrikaans Handvest inzake de Rechten en het Welzijn van het Kind (1990)
Het Afrikaanse Handvest inzake de Rechten en het Welzijn van het Kind is een belangrijk regionaal instrument voor de bescherming en bevordering van kinderrechten. De Afrikaanse Commissie voor de Rechten en het Welzijn van het Kind werd opgericht, een eerste vergadering werd in juli 2001 gehouden. Deze commissie zal bevoegd zijn om rapporten van staten te ontvangen en om te communiceren met individuen, groepen en niet-gouvernementele organisaties die erkend worden door de Afrikaanse Unie, een lidstaat of de Verenigde Naties.
ANDERE REGIONALE ORGANISATIES
Noch de Organisatie van Amerikaanse Staten noch het Europese mensenrechtensysteem hebben specifieke instrumenten voor kinderen, maar een aantal regionale mensenrechteninstrumenten zijn zowel toepasselijk op kinderen als volwassenen, zoals bijvoorbeeld het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en het Europese Verdrag tot Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing.