Mogen Islamitische meisjes en vrouwen al dan niet een hoofddoek dragen op school, op het werk, op de foto voor hun identiteitskaart
? Dit zijn vragen die tot hevige discussies aanleiding geven. Eén van de redenen waarom de problematiek zo moeilijk is, is het feit dat er langs beide kanten dus zowel door voor- als tegenstanders van de hoofddoek een beroep wordt gedaan op mensenrechten. Hoe zit dat?
1. De mensenrechten van de hoofddoekdraagster
Je kan natuurlijk een hoofddoek dragen om veel redenen (omdat je het mooi vindt, om op te vallen, om juist niet op te vallen, omdat het moet van thuis), maar in de meeste gevallen is één van de redenen het feit dat je Moslim bent en dat je op die manier uitdrukking wil geven aan je geloof of een godsdienstige regel wil naleven. Als iemand je dat verbiedt, kan je twee mensenrechten inroepen: de vrijheid van godsdienst en het verbod van discriminatie.
a) De vrijheid van godsdienst
Artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (EVRM) luidt:
1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften.
2. De vrijheid een godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
De eerste alinea bepaalt de reikwijdte van de godsdienstvrijheid. Het recht om een islamitische hoofddoek te dragen valt hieronder. Het gaat immers om het onderhouden van de geboden en voorschriften van de Islam. Dat er binnen de Islam discussie bestaat over de vraag of je al dan niet verplicht bent om een hoofddoek te dragen, doet niet terzake. Wat telt, is de godsdienstige motivatie van degene die de hoofddoek draagt (of bv. van haar ouders).
De tweede alinea is een zogenaamde beperkingsclausule. Net zoals de meeste mensenrechten is de godsdienstvrijheid geen absoluut recht. Een beperkende maatregel, zoals bijvoorbeeld een hoofddoekverbod, is toegelaten als die 1) een basis heeft in een algemene regel, 2) een wettig doel heeft, dwz ofwel één of ander algemeen belang zoals bv. de openbare orde, ofwel de bescherming van de rechten van anderen; 3) evenredig is met dat doel, dwz dat je geen maatregel mag nemen die veel strenger is dan nodig om het doel te bereiken. Als een verbod voldoet aan deze voorwaarden, is het geen schending van de godsdienstvrijheid, anders wel. Het is de rechter die daarover oordeelt.
b) Het verbod van discriminatie
Een tweede recht waarop een hoofddoekdraagster zich kan beroepen, is het verbod van discriminatie op grond van godsdienst (bv. artikel 26 Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten). In Nederland beschouwt de Commissie Gelijke Behandeling een hoofddoekverbod in bijna alle gevallen als een verboden discriminatie.
In België is er sinds vorig jaar een Wet Gelijke Behandeling, die onder meer discriminatie op grond van godsdienst verbiedt. Met een beroep op die wet kan je bv. een de rechter de stopzetting van een discriminatie doen bevelen. Niet elke ongelijke behandeling op grond van godsdienst is echter een discriminatie. Dit is pas het geval wanneer er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voor bestaat. Wanneer er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is, is zowel een rechtstreeks als een onrechtstreeks onderscheid op grond van godsdienst verboden. Wanneer enkel de Islamitische hoofddoek verboden wordt, gaat het om een rechtstreeks onderscheid; wanneer echter alle hoofddeksels verboden worden, gaat het om een onrechtstreeks onderscheid op grond van godsdienst, omdat dit, ondanks de neutrale formulering, moslimmeisjes benadeelt. Het criterium objectieve en redelijke rechtvaardiging is in de praktijk sterk vergelijkbaar met het criterium: evenredigheid met een legitiem doel (cf. supra). Ook hier komt de beoordeling toe aan de rechter.
2. De mensenrechten van anderen
a) godsdienstvrijheid
Eén van de argumenten van tegenstanders van de hoofddoek is dat deze een bedreiging vormt voor de godsdienstvrijheid van anderen. Het gaat dan bv. om niet-gelovigen of mensen met een andere godsdienst, maar in de eerste plaats denkt men aan de moslimmeisjes die geen hoofddoek wensen te dragen. De redenering is, dat wanneer een lerares of een grote groep klasgenootjes een hoofddoek draagt, andere meisjes onder druk gezet worden om dit ook te doen. Dit argument hoor je vooral daar waar het moslimfundamentalisme in opmars is.
b) gelijkheid man/vrouw
Een ander argument is dat de hoofddoek een symbool zou zijn van de onderdrukking van de vrouw. Dit argument is eigenlijk vrij problematisch. Het is een feit dat het Islamrecht mannen en vrouwen geen gelijke rechten toekent. Voor vele niet-Moslims wordt dit gesymboliseerd door de hoofddoek. Dit is echter niet terecht. De Islam schrijft zowel mannen als vrouwen voor om zich kuis te kleden. Wanneer meisjes en vrouwen zoals bv. in Iran- verplicht worden om Islamitische kledij te dragen, dan is dit inderdaad een vorm van onderdrukking. Wanneer ze echter vrijwillig een hoofddoek dragen, kan je dit moeilijk onderdrukking noemen. Dat zou van zeer weinig respect getuigen voor zowel de Islam als de autonomie van de betrokkenen. Voor sommigen is het een vorm van onderdrukking door hun ouders (net zoals vele andere kledingregels zo kunnen worden ervaren), maar dat is iets helemaal anders en zeker geen mensenrechtenkwestie.
3. Andere argumenten
a) Orde
Een hoofddoekverbod op school wordt vaak verdedigd met een beroep op het behoud van de orde en het normale verloop van het onderwijs. In sommige lessen (bv. sport, labos) kan een hoofddoek inderdaad hinderlijk zijn. Wanneer hoofddoekdraagsters zich té assertief opstellen, kan bovendien behalve de godsdienstvrijheid van anderen, ook de goede orde in het gedrang komen.
b) Neutraliteit
Voor ambtenaren en voor leerkrachten en leerlingen in het openbaar onderwijs, wordt een hoofddoekverbod vaak gesteund op de verplichting van de overheid om neutraal te zijn op het vlak van godsdiensten en levensbeschouwingen. Men kan neutraliteit echter op verschillende manieren opvatten. In een open opvatting, is er plaats voor iedereen om op gelijke voet zijn of haar godsdienst of overtuiging uit te drukken. In een gesloten opvatting mag niemand uitdrukking geven aan een godsdienst of overtuiging. Wie een hoofddoekverbod stoelt op het neutraliteitsprincipe, hanteert de gesloten opvatting. Maar neutraliteit kan dus ook anders worden opgevat.
4. Wat zeggen de wet en de rechters?
In Frankrijk is aan het begin van dit schooljaar een nieuwe wet in werking getreden, die het dragen van opvallende religieuze symbolen verbiedt aan leerlingen in het openbaar onderwijs (leerkrachten mochten het ook tevoren al niet). De wet geldt dus niet alleen voor hoofddoeken, maar bv. ook voor joodse keppeltjes, tulbanden van sikhs en grote kruisbeelden.
In België is er geen dergelijke wet. Of hoofddoeken al dan niet zijn toegelaten, wordt aan de inrichtende macht van de school overgelaten. In het vrij (meestal katholiek) onderwijs kan men een hoofddoek eventueel verbieden op basis van het pedagogisch project van de school. In het openbaar onderwijs kan een verbod gebaseerd zijn op de bescherming van de rechten van anderen of het goede verloop van de lessen e.d. In de praktijk verbieden de meeste scholen het dragen van een hoofddoek. Er zijn nog maar enkele zaken voor de rechter gekomen in België, maar die oordeelde telkens dat de hoofddoek mocht verboden worden.
Eén keer kreeg één van onze hoogste gerechtshoven, het Hof van Cassatie met het hoofddoekverbod te maken. Toen ging het om een gemeente die pasfotos met hoofddoek weigerde voor identiteitskaarten. Dat kon niet, want de regels in verband met identiteitskaarten vereisen wel dat je blootshoofds op de foto staat, maar ze voorzien ook een uitzondering voor godsdienstige redenen. Die uitzondering geldt al heel lang, en was eigenlijk bedoeld voor kloosterzusters.
In Europa ligt het laatste woord inzake mensenrechten bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Dat oordeelde deze zomer dat een hoofddoekverbod niet noodzakelijk een schending van de godsdienstvrijheid uitmaakt. Het Hof zei dit in een Turkse zaak. In Turkije houdt men al decennia lang heel strikt vast aan een gesloten opvatting van de neutraliteit van de overheid. Bovendien is het fundamentalisme er in opmars, zodat het toelaten van de hoofddoek op school zou kunnen leiden tot een reële druk op meisjes die er geen willen dragen. Het Europees Hof vindt het niet wenselijk om aan de 45 lidstaten van de Raad van Europa één uniform model op te leggen voor de verhouding tussen Kerk en Staat. De nationale overheid krijgt een ruime beleidsmarge om zelf te bepalen hoe ze dit oplossen. Dit wil niet zeggen dat een hoofddoekverbod altijd mag. Er moet een sterk argument zijn om te zeggen dat het algemeen belang of de rechten van anderen in het gedrang komen als de hoofddoek wordt verboden.