Raad van Europa
- Geschiedenis
- Belangrijkste instellingen
- Belangrijkste mensenrechtenverdragen en organen
Geschiedenis
Het Verdrag van Londen stelde in 1949 de Raad van Europa in, gegrondvest op de principes van pluralistische democratie, mensenrechten en de rechtsstaat. Om toe te treden tot de RvE moet een staat aantonen dat ze de rechtsstaat respecteert én de rechten van de mens.
Daar bovenop draagt de Raad van Europa zorg voor het promoten van de Europese cultuur en diversiteit, het consolideren en in stand houden van democratische stabiliteit, en het bevorderen van economische sterkte.
Staten die tot de RvE toetreden behouden hun individuele soevereiniteit en politieke identiteit. Zij moeten echter hun verplichtingen nakomen ten gevolge van de verdragen die zij op het hoofdkwartier van de RvE in het Palais de lEurope in Straatsburg ondertekend hebben. De officiële talen van de instelling zijn Engels en Frans, al gebruikt de Parlementaire Assemblee ook Duits, Italiaans en Russisch als werktalen. De Raad heeft 45 lidstaten, met in het totaal meer dan 875 miljoen inwoners, en treedt in dialoog met meer dan 400 niet-gouvernementele organisaties met consultatieve status.
Tien leden vervoegden de RvE van bij de start in 1949: België, Denemarken, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Griekenland en Turkije traden toe in 1949. IJsland en Duitsland het jaar daarop. Oostenrijk werd lid in 1956, Cyprus in 1961, Zwitserland in 1963, Malta in 1965, Portugal in 1976, Spanje in 1977, Liechtenstein in 1978, San Marino 10 jaar later, in 1988, Finland in 1989 en, tenslotte, Andorra in 1994.
Na de val van de communistische regimes in 1989 werden verschillende landen uit Centraal en Oost-Europa lid van de RvE. Hongarije trad toe in 1990, Polen in 1981, Bulgarije in 1992; en Estland, Litouwen, Slovenië, de Tsjechische Republiek, Slowakije en Roemenië traden allen in 1993 toe. Letland, Albanië, Moldavië, Oekraïne en de Voormalige Republiek Macedonië werden in 1995 lid, terwijl Rusland en Kroatië het jaar daarop toetraden. De laatst toegetreden leden van de RvE zijn Georgië (1999), Armenië en Azerbeidzjan (2001), Bosnië en Herzegovina (2002), en Servië en Montenegro (2003).
De RvE kende aan verschillende staten de status van waarnemer toe, waaronder Canada, de Heilige Stoel (het Vaticaan), Japan, Mexico en de Verenigde Staten.
Belangrijkste instellingen
De RvE is opgebouwd uit verschillende instellingen:
De Raad van Ministers is het belangrijkste besluitvormend orgaan van de RvE. Hij is samengesteld uit de Ministers van Buitenlandse Zaken van alle lidstaten.
De Parlementaire Vergadering is een beraadslagend orgaan dat is samengesteld uit 313 leden en 313 plaatsvervangers die door nationale parlementen worden aangeduid.
Het Congres van Plaatselijke en Regionale Autoriteiten van Europa is een raadgevend orgaan met plaatselijke en regionale afgevaardigden. Het bestaat uit een Kamer van Plaatselijke Autoriteiten en een Kamer van Regios.
De Secretaris Generaal van de RvE leidt en coördineert de activiteiten van de organisatie. De Secretaris wordt aangesteld voor een periode van vijf jaar.
Belangrijkste mensenrechtenverdragen en organen
De RvE heeft veel inspanningen gedaan om mensenrechten te promoten, en blijft dit doen.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (1950)
Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, bekend onder de naam Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), was het eerste wettelijk bindend mensenrechtenverdrag met afdwingmechanismen. Het was geïnspireerd door de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties (1948), werd in Rome op 4 november 1950 ondertekend en trad in werking op 3 december 1953. Enkel lidstaten van de RvE kunnen partij worden bij het EVRM.
De preambule van het EVRM voorziet in de handhaving van en de verdere verwezenlijking van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, die de grondslag vormen voor gerechtigheid en vrede in de wereld en welker handhaving vooral steunt, enerzijds op een waarlijk democratische regeringsvorm, anderzijds op het gemeenschappelijk begrip en de gemeenschappelijke eerbiediging van de rechten van de mens waarvan die vrijheden afhankelijk zijn.
Het verdrag handelt hoofdzakelijk over burgerlijke en politieke rechten, die in de artikelen 1 tot 18 kunnen teruggevonden worden. Artikelen 19-51 stippelen de werkingsmechanismen uit van het Europees Hof en de Commissie, terwijl Protocol 1, 4, 6, 7 en 12 bijkomende rechten inhouden. Het recht op het individueel indienen van een klacht verplicht de staat de bevoegdheid van het Hof te aanvaarden om vonnissen te vellen over aangelegenheden binnenin die staat.
Internationale wettelijke instrumenten zoals dit nemen de vorm aan van een verdrag (soms ook overeenkomst, conventie of protocol genoemd), dat bindend kan zijn ten aanzien van de partijen die dit afsluiten. Als de onderhandelingen afgesloten zijn wordt de tekst van het verdrag als authentiek en definitief beschouwd, en wordt hij daartoe ondertekend door afgevaardigden van de staten. Er zijn verschillende manieren waarop een staat uitdrukt dat het ermee akkoord gaat door een verdrag gebonden te zijn. De meest gebruikelijke is de ratificatie of de toetreding. Een nieuw verdrag wordt geratificeerd door de staten die er onderhandelingen over hebben gevoerd. Een staat die niet betrokken was bij deze onderhandelingen kan in een later stadium toetreden tot het verdrag. Het verdrag wordt van kracht op het ogenblik dat een vooraf bepaald aantal staten het hebben geratificeerd of ertoe zijn toegetreden.
Europees Hof van de Rechten van de Mens
Het Europees Hof van de Rechten van de Mens werd op 3 september 1953 door het EVRM opgericht. Gevestigd in Straatsburg, heeft het Hof jurisdictie over de landen van de Raad van Europa die ervoor hebben gekozen de (facultatieve) jurisdictie ervan te aanvaarden. Eens dit het geval is zijn alle uitspraken van het Hof betreffende het land bindend. De rechters van het Hof worden verkozen door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.
De originele structuur van het Hof en het mechanisme voor het behandelen van de zaken voorzag in een two-tier systeem van bescherming van rechten, die de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (nu overbodig) zowel als het Hof zelf omvatte. De dichotomie tussen de twee instellingen werkte in het begin goed, gezien het Hof slechts een klein aantal zaken te behandelen kreeg. Dit aantal zaken dat het hof te behandelen kreeg steeg van 16 tussen 1960 en 1975, tot 119 in het jaar 1997 alleen al. Op 1 november 1998 werd Protocol 11 van het EVRM van kracht, dat de Commissie voor de Rechten van de Mens afschafte en een nieuw Europees Hof voor de Rechten van de Mens instelde.
Het Hof aanvaardt de indiening van verzoekschriften betreffende gevallen van mensenrechtenschendingen vanwege individuen zowel als vanwege staten. Het gebeurt echter zelden dat een staat klachten indient tegen een andere staat, tenzij de schending ernstig is. Opdat een klacht aanvaard kan worden door het Hof moeten alle wettelijke remedies die voor de indiener van de klacht in eigen land ter beschikking staan zijn uitgeput.
Daar bovenop:
- Een niet-anonieme indiener van een verzoekschrift dient zijn/haar zaak in te dienen bij het hof binnen de zes maanden na de finale beslissing erover in eigen land.
- Het moet gaan over een schending van een waarborg die ingeschreven is in het Europees Verdrag.
- De indiener van het verzoekschrift moet een slachtoffer zijn. (Er zijn echter bepalingen die specificeren dat men niet rechtstreeks vervolgd moet zijn om als slachtoffer beschouwd te worden.)
- Indieners van een verzoekschrift mogen de hoofdzaak van een eerder verzoekschrift niet herhalen.
Het Hof houdt een publieke hoorzitting om te bepalen of er een schending van het Verdrag heeft plaatsgegrepen. Het Hof houdt normaal zitting als een Kamer met negen rechters (een verhoging tegenover het oorspronkelijke aantal van zeven), waarvan één van het land in kwestie afkomstig is, doch in zeldzame gevallen kan een Grote Kamer zetelen die uit 21 (voorheen 17) rechters bestaat.
Als het verzoekschrift ontvankelijk is verklaard, probeert het Hof een minnelijke schikking tot stand te doen komen, die kan variëren van een wijziging van de wet(ten) tot en met schadevergoeding.
Tegen uitspraken van een Kamer kan, totdat zij na drie maanden definitief worden, in beroep worden gegaan bij de Grote Kamer; uitspraken van de Grote Kamer zijn definitief. Alle uitspraken zijn bindend onder internationaal recht, en kunnen afgeleverd worden bij de rechtszitting of schriftelijk. Eens het Hof een zaak als een schending beschouwt worden staten verplicht gelijkaardige schendingen in de toekomst te voorkomen. Aan slachtoffers kan rechtvaardige genoegdoening verleend worden, inbegrepen betaling van een schadevergoeding door de staat die in gebreke werd gesteld.
Het Comité van Ministers van de Raad van Europa houdt toezicht op de uitspraken van het Hof, om er zeker van te zijn dat schadeloosstelling werd betaald en om de slachtoffers bij te staan door het heropenen van de rechtsgang, door het opheffen van verboden, door het verwijderen uit een politiedossier, door toekenning van een verblijfsvergunning. Het Comité van Ministers ziet er ook op toe dat in opvolging van een uitspraak de vereiste aanpassingen worden aangebracht, zoals aanpassingen van de wetgeving, jurisprudentie, het bouwen van gevangenissen of de aanstelling van nieuwe rechters.
Europese Commissie voor de Rechten van de Mens
Al raakte de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens in 1998, als gevolg van het herstructurering van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in onbruik, toch heeft het tussen 1953 en 1998 een belangrijke rol gehad in het bijstaan van het Hof voor de Rechten van de Mens. De leden van de Commissie werden door het Comité van Ministers verkozen, en zouden dienst doen gedurende zes jaar (tijdens dewelke zij geacht werden onafhankelijk te handelen, zonder aanhankelijkheid aan eender welke staat). Hun rol was na te gaan of een verzoekschrift ontvankelijk was voor het Hof. Indien dit het geval was zou de Commissie het verzoekschrift onderzoeken om vast te stellen welke de feiten waren in de zaak en om partijen te helpen de zaak in der mine te regelen. Indien een regeling in der minne niet mogelijk was zou de Commissie een verslag opstellen over de vastgestelde feiten, samen met een beoordeling of een schending al dan niet had plaatsgegrepen. Een Comité van drie personen bepaalde de ontvankelijkheid van het verzoekschrift. Moeilijke beslissingen echter werden door een Kamer van zeven mensen behandeld.
Europees Sociaal Handvest
Het Europees Sociaal Handvest, aangenomen in 1961 en waarop door het Europees Comité van Sociale Rechten wordt toegezien, waarborgt economische, sociale en culturele rechten, zoals het recht op huisvesting, gezondheid, onderwijs, werk, sociale bescherming, vrijheid van beweging van personen, en niet-discriminatie. Een nieuwe versie van het Handvest (herzien in 1966) werd in 1999 van kracht.
Europees Comité van Sociale Rechten
Het Europees Comité van Sociale Rechten (ECSR) is samengesteld uit onafhankelijke deskundigen die gedurende een termijn van zes jaar dienst doen, die éénmaal hernieuwbaar is. Staten moeten jaarlijkse verslagen indienen over hoe zij de bepalingen van het Handvest hebben opgevolgd. Het Comité bestudeert deze en publiceert dan haar beslissingen die als Conclusies bekend staan. Als een staat een Conclusie over een schending negeert, kan het Comité van Ministers de staat hierop aanspreken, en vragen het probleem recht te zetten, zij het door het wijzigen van een wet of door het veranderen van een praktijk (of beide).
Een Aanvullend Protocol aan het Europees Sociaal Handvest werd in 1998 van kracht, en voorzag een mogelijkheid voor werknemersgroepen en ngos om collectieve klachten in te dienen. Het Comité oordeelt of de collectieve klachten ontvankelijk zijn. Deze moeten omvatten:
1. details betreffende degene (organisatie en/of individu) die de klacht indient;
2. de staat tegen dewelke de klacht wordt ingediend;
3. het aspect van het Handvest waarvan wordt aangevoerd dat het geschonden werd;
4. de huidige schending.
In een volgende stap is er een briefwisseling tussen de landen en in sommige gevallen een publieke hoorzitting. Daarop neemt het Comité een beslissing betreffende de zaak en bezorgt die aan de partijen. Vier maanden later wordt ze gepubliceerd. Tot slot keurt de Commissie een resolutie goed betreffende het onderwerp en kan zij aanbevelingen publiceren.
Het Europees Verdrag ter Voorkoming van Foltering en van Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing.
Het Europees Verdrag ter Voorkoming van Foltering werd in 1987 goedgekeurd, en werd in 1989 van kracht. Het stelde het Europees Comité ter Voorkoming van Foltering in, om op het verdrag toezicht te houden. In 2003 hadden 44 leden van de Raad van Europa het verdrag geratificeerd. Protocol nummer 1, dat van kracht werd in 2002, laat toe dat eender welke lidstaat die geen lid is van de Raad van Europa partij te worden bij het verdrag.
Comité ter Voorkoming van Foltering
Het Comité ter Voorkoming van Foltering (CPT) houdt toezicht op het Europees Verdrag ter Voorkoming van Foltering en van Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing. Het is samengesteld uit onafhankelijke, onpartijdige experts die voor termijnen van vier jaar zijn aangesteld en tweemaal kunnen herverkozen worden; er is één lid per deelnemende staat.
Volgens de tekst van haar missie zal het Comité, door middel van bezoeken de behandeling onderzoeken van personen die van hun vrijheid werden beroofd, met het oog op de versterking, indien nodig, van de bescherming van zulke personen tegen foltering of tegen onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Het CPT bezoekt detentie-inrichtingen zoals gevangenissen, detentiecentra, politiekantoren en psychiatrische instellingen en bejaardeninstellingen, om de behandeling na te gaan van wie er verblijft. Dit gebeurt met afvaardigingen van twee of drie personen.
Het Comité kan een onaangekondigd bezoek afleggen aan een detentiecentrum. In dit geval moet het Comité dit vooraf meedelen aan het land en aan de instelling, maar mag het onmiddellijk daarna de inspectie verrichten. Aan het Comité wordt de garantie gegeven dat het er vrije toegang toe heeft, dat het zich binnenin vrij mag bewegen, en dat het in staat gesteld wordt privaat gesprekken te hebben met degenen die er worden vastgehouden alsook met eender andere persoon die relevante informatie kan verschaffen, zoals ngos die zich om mensenrechten bekommeren.
Het CPT schrijft een verslag over de landen dat het bezoekt. In de verslagen doet het CPT aanbevelingen om te verzekeren dat foltering en mishandeling voorkomen worden. De regeringen moeten dan een antwoord geven op de aanbevelingen. In zeldzame gevallen kan het CPT een publieke verklaring afleggen, in het geval dat een staat faalt in het geven van gevolg aan de aanbevelingen van het CPT. In het algemeen echter blijven de aanbevelingen vertrouwelijk.
Het Comité publiceert The CPT Standards, dat standaarden instelt voor de behandeling van gedetineerden.
Kaderverdrag voor de Bescherming van de Nationale Minderheden
Het Kaderverdrag voor de Bescherming van de Nationale Minderheden, het eerste bindende internationaal verdrag dat specifiek aan minderheden bescherming verschaft, werd in 1995 goedgekeurd en werd van kracht in Februari 1998. Het fundament voor dit verdrag was in een eerder verdrag gelegd, namelijk het Europees Handvest voor Regionale en Minderheidstalen, dat in 1992 werd aangenomen.
De preambule van het Kaderverdrag bespreekt de noodzaak om nationale minderheden te beschermen, dit in de context van de desintegratie en vijandigheid van de Centraal en Oost-Europese staten en van het voormalig Oosters blok. De preambule stelt: Een pluralistische en echt democratische samenleving zou niet alleen de etnische, culturele, taalkundige en religieuze identiteit van elke persoon die tot een nationale minderheid behoort moeten respecteren, maar ook de aangepaste voorwaarden moeten scheppen die hen in staat stellen deze identiteit uit te drukken, te bewaren en te ontwikkelen.
(Het Kaderverdrag definieert niet wat een nationale minderheid is.)
Op het Kaderverdrag wordt toezicht uitgeoefend door het Comité van Ministers, dat bijgestaan wordt door een adviescommissie van onafhankelijke deskundigen.
Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid (ECRI)
De Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid werd in 1993 opgezet om racisme (de overtuiging dat sommige rassen inferieur zijn), xenofobie (schrik voor vreemdelingen), antisemitisme (vooroordeel tegenover Joden), en andere vormen van intolerantie te bestrijden. De Commissie heeft één lid per lidstaat van de Raad van Europa. De leden ervan worden aangeduid door de regeringen, al functioneren ze onafhankelijk ervan.
De Commissie evalueert de efficiëntie van bestaande maatregelen tegen onverdraagzaamheid, van beleidsmaatregelen tot wetgeving op nationaal, regionaal of nationaal vlak. Met de hulp van buitenstaanders, deskundigen en ngos stelt de ECRI in een jaarlijks verslag aan het Comité van Ministers op elk van deze terreinen acties voor die kunnen ondernomen worden.
Commissaris voor de Mensenrechten
De post van Commissaris voor de Mensenrechten werd overeengekomen op de top van de staats- en regeringsleiders van oktober 1997, en werd in april 1999 effectief ingesteld toen het Comité van Ministers die goedkeurde.
De Parlementaire Vergadering verkiest de Commissaris met een gewone meerderheid van stemmen. Kandidaten voor de post worden geselecteerd uit drie kandidaturen die door het Comité van Ministers worden voorgelegd. Een kandidaat moet een burger zijn van één van de lidstaten van de Raad van Europa, met deskundigheid in het domein van de mensenrechten. Een termijn duurt zes jaar. De eerste Commissaris voor de Mensenrechten was Mr. Alvaro Gil-Robles uit Spanje. Hij werd in 1999 verkozen.
De Commissaris heeft drie hoofdtaken:
1. mensenrechteneducatie en bewustzijn van mensenrechten bevorderen;
2. aspecten van wetten aanduiden die mensenrechten niet ten volle erkennen en mensenrechtenwetten aanduiden die niet ten volle worden toegepast;
3. respect voor mensenrechten en het genot van mensenrechten in de lidstaten van de Raad van Europa promoten.
De Commissaris behandelt geen individuele klachten inzake mensenrechtenschendingen.