Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE)
- Inleiding
- Belangrijkste instellingen
- Structurele vergaderingen
- Belangrijkste mensenrechtenverdragen en organen
Inleiding
De Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa is de grootste regionale veiligheidsinstelling in de wereld. De OVSE, met hoofdkwartier in Wenen (Oostenrijk), was vroeger gekend als de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE). De naam werd in 1994 veranderd in OVSE. Het CVSE zelf werd in 1975 opgericht door de Slotakte van Helsinki.
De OVSE houdt zich bezig met waarschuwing voor conflicten, conflictpreventie, crisismanagement en wederopbouw na conflicten. Taken voor de OVSE zijn onder meer:
- wapenbeheersing;
- preventieve diplomatie;
- vertrouwenwekkende en veiligheidsopbouwende maatregelen;
- promotie van mensenrechten;
- democratisering;
- toezicht houden op verkiezingen;
- waarborgen van economische veiligheid en veiligheid van het leefmilieu.
Heden ten dage zijn alle Europese naties lid van de OVSE, maar ook Canada en de Verenigde Staten (die beide vanaf het eerste begin lid waren), en landen uit Centraal Azië. Alle leden hebben dezelfde status, en beslissingen worden bij consensus genomen. De 55 lidstaten zijn: Albanië, Andorra, Armenië, Azerbeidzjan, België, Bosnië en Herzegovina, Bulgarije, Canada, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Georgië, Griekenland, de Heilige Stoel, Hongarije, IJsland, Ierland, Italië, Kazakstan, Kirgizië, Kroatië, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Moldavië, Monaco, Nederland, Noorwegen, Oekraïne, Oezbekistan, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, de Russische Federatie, San Marino, Servië en Montenegro, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tadzjikistan, Tsjechië, Turkije, Turkmenistan, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Wit-Rusland, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Zweden en Zwitserland.
Belangrijkste instellingen
Verschillende instellingen vormen samen de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa:
De Permanente Raad is het belangrijkste besluitvormend orgaan van de OVSE. Deze komt wekelijks in Wenen samen om zaken te bespreken en besluiten te formuleren.
De Dienstdoend Voorzitter is de minister van Buitenlandse Zaken van een OVSE lidstaat. De Voorzitter wordt jaarlijks geselecteerd, en is in naam van de lidstaten verantwoordelijk voor uitvoerende acties. De ministeriële trojka en de Secretaris-Generaal staan de voorzitter bij.
De Parlementaire Vergadering bestaat uit 300 parlementsleden van de lidstaten. Haar doel is de OVSE agenda en de OVSE in het algemeen in de nationale parlementen te promoten.
Het Secretariaat verschaft organisatorische ondersteuning aan de OVSE. Het Secretariaat staat onder de supervisie van de Secretaris-Generaal. De verantwoordelijkheden van het Secretariaat omvatten onder meer: het ondersteunen van veldactiviteiten, het onderhouden van contacten met ngos, het coördineren van economische activiteiten en activiteiten op het vlak van het leefmilieu, diensten op het vlak van administratie, financiën en personeel, het coördineren van militaire evenementen, diensten voor conferenties en op het vlak van taal, informatie aan het publiek, technologie en pers.
Het Hof voor Conciliatie en Arbitrage regelt geschillen tussen lidstaten die partij zijn bij het Verdrag voor Conciliatie en Arbitrage binnen de OVSE.
Het orgaan Wapenbeheersing en Vertrouwenwekkende en Veiligheidsbevorderende Maatregelen wordt geleid door personen die daartoe persoonlijk worden aangesteld door de Dienstdoend Voorzitter, en ziet uit over mogelijke militaire bedreigingen ten aanzien van lidstaten.
Structurele Vergaderingen
De vergaderingen van de OVSE hebben plaats als volgt:
Het Forum voor Veiligheidssamenwerking komt wekelijks in Wenen samen om militaire aspecten van veiligheid in de OVSE regio te bespreken, daarbij het accent leggend op vertrouwenwekkende en veiligheidsbevorderende maatregelen.
Het Senior Council/Economic Forum komt eens per jaar bijeen in Praag om er kwesties betreffende leefmilieu en economie, waarmee de OVSE wordt geconfronteerd, te bespreken.
De vergadering van de staats- en regeringshoofden van de lidstaten van de OVSE heeft periodiek plaats op een Top. Een Top wordt steeds voorafgegaan door een toetsingsconferentie, waar de OVSE verbintenissen en hun implementatie worden getoetst, en waar documenten voor de Top worden geformuleerd.
De Ministerraad is de vergadering van de Ministers van Buitenlandse zaken van de OVSE lidstaten. Deze bijeenkomst grijpt plaats in jaren waarin en geen TOP plaatsvindt.
Belangrijkste mensenrechtenverdragen en organen
Zoals de Raad van Europa werkt de OVSE ook aan de bevordering van mensenrechten:
Slotakte van Helsinki
De Slotakte van Helsinki, die mensenrechtenbekommernissen met veiligheidskwesties verbond, richtte op wat momenteel de OVSE heet. Het werd in 1975 door 33 staten ondertekend, waaronder Canada, de Sovjetunie en de Verenigde Staten. Sinds het einde van de Koude Oorlog traden meer dan vijftig staten toe tot het Slotakkoord. Omdat het Helsinki Slotakkoord geen echt verdrag is, is het ook niet bindend voor de staten, en het niet naleven ervan heeft politieke, maar geen juridische gevolgen.
Twee van de tien Leidende Principes van het Helsinki Slotakkoord betreffen mensenrechten. Het eerste, Principe VII, roept op tot respect voor mensenrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst of geloof.
De laatste paragraaf van Principe VII bevestigt dat OVSE lidstaten in overeenstemming moeten handelen met het VN Handvest (1945) alsook met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948). Het stelt: Op het domein van mensenrechten en fundamentele vrijheden zullen de deelnemende staten in overeenstemming handelen met de principes van het Handvest van de Verenigde Naties en met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Ze zullen ook hun verplichtingen nakomen die voortvloeien uit de internationale verklaringen en overeenkomsten op dit terrein, inbegrepen onder meer de internationale mensenrechtenverdragen door dewelke ze mogelijks gebonden zijn.
Principe VIII beklemtoont the gelijke rechten en zelfbeschikking van volkeren.
Mechanisme van Wenen
Het mechanisme van Wenen, dat in 1989 werd ingesteld, richtte een regelend orgaan op dat bekend staat als het Human Dimension Mechanism, dat mensenrechten bevordert door onderhandeling, bemiddeling en het verzamelen van feitenmateriaal. Bilaterale onderhandelaars, OVSE deskundigen en verslaggevers sturen het Human Dimension Mechanism, daarbij ondersteund door het OVSE Office for Democratic Institutions and Human Rights (ODIHR).
Een onderzoek start met een beschuldiging van één staat over een andere, gevolgd door een diplomatieke uitwisseling binnen een beperkt tijdsverloop. Elke staat mag een andere beschuldigen of informatie naar voren brengen over een geval. Als de diplomatieke uitwisseling de zaak niet eenvoudig krijgt opgelost kan het Human Dimension Mechanism het aan alle lidstaten voorstellen en het aankaarten in een OVSE toetsingsconferentie of een human dimension conference.
Slotdocument van Kopenhagen
Het Slotdocument van Kopenhagen, in 1990 goedgekeurd, voegt drie clausules toe aan het Mechanisme van Wenen:
1. Het vereist dat staten een verzoek om informatie vanwege het Mechanisme van Wenen binnen de vier weken schriftelijk moeten beantwoorden.
2. Het stipuleert dat bilaterale ontmoetingen tussen de twee landen in kwestie zo snel mogelijk moeten plaatsgrijpen, en binnen de drie weken na het verzoek.
3. Het stelt dat bilaterale ontmoetingen enkel het indertijd overeengekomen onderwerp zullen behandelen.
Het Moskou Mechanisme
Het Moskou mechanisme werd in 1991 ingesteld. Zoals het Mechanisme van Wenen is het een instrument voor bescherming van de human dimension. Terwijl het Mechanisme van Wenen onderzoeken naar de mensenrechtentoestand van staten toelaat, maakt het Moscow Mechanism het mogelijk dat onafhankelijke deskundigen human dimension conflicten in lidstaten oplossen. Onder het Moscow Mechanism kan in extreme omstandigheden een onderzoek ingesteld worden naar human dimension kwesties zonder de toestemming van de staat in kwestie. De deskundigen worden aangesteld door OVSE lidstaten.
Tot op heden werd het Moscow Mechanism slechts vijfmaal benut:
1. In 1992 werd het door 12 staten van de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten benut om de beschuldigingen van aanvallen op burgers in Kroatië en Bosnië-Herzegovina te onderzoeken.
2. In 1992 werd het door Estland gebruikt om de Estse wetgeving te bestuderen en ze te vergelijken met de bestaande mensenrechtennormen.
3. In 1993 maakte Moldavië ervan gebruik om te onderzoeken hoe haar wetgeving omging met de rechten van minderheden en met interetnische relaties.
4. Alweer in 1993 maakte het OVSE Committee of Senior Officials voor Servië-Montenegro er gebruik van om mensenrechtenschendingen te onderzoeken, een missie die niet voltooid werd bij gebrek aan medewerking van de Voormalige Republiek Joegoslavië.
5. En nog niet zolang geleden, in 2002-2003, maakten 10 OVSE lidstaten ervan gebruik tegenover Turkmenistan, meer bepaald met betrekking tot onderzoeken rond een gerapporteerde aanval op de President en omtrent de manier waarop dat onderzoek gevoerd werd.
Office for Democratic Institutions and Human Rights
Het Office for Democratic Institutions and Human Rights (ODIHR) is het princiepsorgaan binnen de OVSE voor de promotie van mensenrechten binnen de OVSE. Het is gevestigd in Warschau (Polen) en werd in 1990 opgericht als het Office for Free Elections; in 1992 werd de naam ervan gewijzigd in de huidige. Vrijheid van godsdienst en geloof, anti-terrorisme, en de rechten die opgesomd staan in het Moscow Mechanism, zijn enkele van de prioritaire terreinen voor ODIHR. De ODIHR bevordert ook:
- de rechtsstaat;
- voorkoming van foltering;
- vrijheid van beweging;
- vrijheid voor ngos
- gelijkheid van de geslachten;
- bestrijden van mensenhandel en drugshandel;
- verspreiding van democratie doorheen Zuidoost-Europa.
Het Contact Point voor Roma en Sinti Issues (CPRSI) valt onder de bevoegdheid van ODIHR. Het werd in 1994 in Warschau opgericht. Het Contact Point helpt de Roma en Sinti (zigeuner) bevolkingen van Europa, die in het totaal met ongeveer 15 miljoen zijn, te integreren in de sa
Menlevingen waarin zij leven, terwijl zij hun eigen identiteit bewaren. De belangrijkste uitdagingen voor het CPRSI zijn heden ten dage:
- de deelname aan het politieke leven bevorderen;
- discriminatie en rassengeweld verminderen;
- onderwijs bevorderen;
- leefomstandigheden verbeteren.
Daarbovenop doet de CPRSI nog het volgende:
- leveren van beleidsadviezen aan regeringen;
- verschaffen van informatie aan wie erom vraagt;
- de dialoog tussen OVSE instellingen, Roma en Sinti groepen en nationale regeringen bevorderen.
Hoge Commissaris voor Nationale Minderheden
De Hoge Commissaris voor Nationale Minderheden (HCNM) werd in 1992, na het einde van de Koude Oorlog en het uiteenvallen van de Sovjetunie (USSR), opgericht op een ogenblik dat er een grote nood was inzake de bescherming van etnische minderheden. De HCNM richt zich vooral op minderheidskwesties voordat deze tot ernstige problemen uitgroeien.
De Commissaris moet onafhankelijk van staten optreden en onpartijdig blijven. De HCNM formuleert aanbevelingen aan regeringen en bespreekt deze met de Permanente Raad, het belangrijkste besluitvormend orgaan van de OVSE, van dewelke de Commissaris vooral politieke steun krijgt. De Commissaris bewaart de vertrouwelijkheid in de contacten met lidstaten, maar beslist welke informatie met de Permanente Raad gedeeld zal worden.
Wat de Commissaris niet kan doen:
- individuele gevallen behandelen;
- gevallen behandelen die op nige manier met terrorisme van doen hebben;
- praten met enige persoon of organisatie die terrorisme of geweld beoefent of publiek vergoelijkt.
De heer Max van der Stoel, voormalig Nederlands Minister van Buitenlandse Zaken, was de eerste Hoge Commissaris voor Nationale Minderheden (1992-2001). Zijn opvolger is de heer Rolf Ekéus, een Zweeds diplomaat.
Vertegenwoordiger voor de Vrijheid van de Media
De Vertegenwoordiger voor de Vrijheid van de Media werd in december 1997 ingesteld om de ernstige problemen aan te pakken die veroorzaakt worden door, onder meer, verhindering van activiteiten van media, en ongunstige werkomstandigheden voor journalisten. In tegenstelling tot de Hoge Commissaris voor Nationale Minderheden is de Vertegenwoordiger voor de Vrijheid van de Media geen bemiddelaar. In de plaats daarvan doet de Vertegenwoordiger dienst als iemand die ijvert voor de naleving van OVSE principes betreffende vrijheid van meningsuiting en van de media.
De Vertegenwoordiger geeft vroegtijdige waarschuwingen over schendingen, terwijl hij zich concentreert op ernstige gevallen van niet-naleving. In geval van niet-naleving neemt de Vertegenwoordiger contact op met de betrokken staat, tracht de feiten van de situatie te onderscheiden, en probeert de kwestie op te lossen. De Vertegenwoordiger beantwoordt zo snel mogelijk de zwaarste schendingen van de vrijheid van de media, inclusief gevaarlijke werkomstandigheden of de onmogelijkheid om vrij verslag uit te brengen.
De Vertegenwoordiger brengt verslag uit over de ondernomen stappen aan de Permanente Raad, en beveelt verdere actie aan waar dit noodzakelijk is. De Afgevaardigde kan evenmin als de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten praten met enige persoon of organisatie die terrorisme of geweld bedrijft of vergoelijkt.
De heer Freimut Duve, Duitsland, werd in 1998 als de eerste Vertegenwoordiger aangesteld. De Vertegenwoordiger is gevestigd in Wenen.