Themas
Landen
Begrippen
Documenten
Recente publicaties
Vragen & Antwoorden
Toelichting bij UVRM
MRE in Vlaanderen
Organisatie Informatie Educatie Links Contact Sitemap Zoeken

Mensenrechteneducatie in Vlaanderen (pdf-versie)

Dit artikel werd gepubliceerd in het Tijdschrift voor Jeugdrecht en Kinderrechten, jrg. 3, 2002/5.

Inleiding

Hoofdstuk 1. Mensenrechteneducatie: een opdracht voor het onderwijs
1. Mensenrechteneducatie
2. Mensenrechteneducatie: over, voor en door mensenrechten
3. Mensenrechteneducatie, een breed terrein
a) Mensenrechten juridisch bekeken
b) Een ‘cultuur van mensenrechten’: mensenrechten als een stel van universele waarden
4. Mensenrechteneducatie: de methode is deel van de boodschap
5. Mensenrechteneducatie, een contradictio in terminis?
6. Mensenrechteneducatie, en actie?

Hoofdstuk 2. Mensenrechteneducatie in onderwijs Vlaanderen: het kader
1. Het curriculum
2. De ondersteuning

Conclusies en aanbevelingen



Inleiding

Reeds op het ogenblik dat de internationale gemeenschap ertoe overging afspraken vast te leggen voor wat betreft de rechten van de mens, bij het tot stand komen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, heeft zij beseft dat het vastleggen van enkele principes die van invloed waren op het politieke handelen van staten op zich niet volstond, en dat zij daar logischerwijze consequenties moest aan verbinden voor wat betreft onderwijs en opleiding. Op het terrein echter is dit inzicht slechts schoorvoetend in de praktijk omgezet. In dit artikel willen wij ingaan op de internationale normen en aanbevelingen ter zake, op wat voor ons wezenlijke kenmerken zijn van mensenrechteneducatie, en tenslotte op het kader en de praktijk van mensenrechten- en kinderrechteneducatie in Vlaanderen.

Bewust voeren we daarbij in deze bijdrage een beperking in. Mensenrechteneducatie kan zich immers richten op veel verschillende doelgroepen: van kleuters tot bejaarden, van zakenmensen tot gevangenisbewaarders, van buurtbewoners tot ministers,... We willen ons hier beperken tot mensenrechteneducatie met leerlingen, in hoofdzaak in het leerplichtonderwijs (Hoofdstuk 2.). Het algemene kader dat we voor mensenrechteneducatie zullen schetsen (Hoofdstuk 1.) is echter breder.

top

Hoofdstuk 1. Mensenrechteneducatie: een opdracht voor het onderwijs

Naast de morele overtuiging van velen in onze samenleving dat mensenrechteneducatie een belangrijke plaats verdient in de wereld van onderwijs en vorming, zijn er een aantal internationale normen en afspraken in het internationaal recht vastgelegd die een basis verlenen aan mensenrechteneducatie.

Zo stelt de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM, 1950) reeds in haar preambule

“Op grond daarvan proclameert de Algemene Vergadering deze Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ... opdat ieder individu en elk orgaan van de gemeenschap, met deze Verklaring voortdurend voor ogen, er naar zal streven door onderwijs en opvoeding de eerbied voor deze rechten en vrijheden te bevorderen ...”

De precieze doelstellingen van onderwijs werden uitgestippeld in artikel 26, 2:

“Het onderwijs zal gericht zijn op de volle ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en op de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het zal het begrip, de verdraagzaamheid en de vriendschap onder alle naties, rassen of godsdienstige groepen bevorderen en het zal de werkzaamheden van de Verenigde Naties voor de handhaving van de vrede steunen.”

De vier hierbij genoemde principes geven de vereisten weer voor een opvoeding die de mensenrechten in een wereldomspannende - eerder dan in een puur nationale - context plaatsen.

Na de Universele Verklaring werd de rol van educatie ook in andere internationale standaarden
1 weerspiegeld. Sommige van deze teksten zijn bindend, gezien het gaat om verdragen. Andere, zoals de Universele Verklaring zelf, zijn niet-bindende rechtsbronnen. We behandelen verder eerst de bindende, dan de niet-bindende rechtsbronnen.

Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (1989), inzake kinderrechten de belangrijkste tekst, geeft een duidelijke boodschap betreffende educatie. Artikel 29 ervan stelt immers:

“1. De Staten die partij zijn, komen overeen dat het onderwijs aan het kind dient te zijn gericht op:
a. de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind;
b. het bijbrengen van eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en voor de in het Handvest van de Verenigde Naties vastgelegde beginselen;
c. het bijbrengen van eerbied voor de ouders van het kind, voor zijn of haar eigen culturele identiteit, taal en waarden, voor de nationale waarden van het land waar het kind woont, het land waar het is geboren, en voor andere beschavingen dan de zijne of hare;
d. de voorbereiding van het kind op een verantwoord leven in een vrije samenleving, in de geest van begrip, vrede, verdraagzaamheid, gelijkheid van geslachten, en vriendschap tussen alle volken, etnische, nationale en godsdienstige groepen en personen behorend tot de oorspronkelijke bevolking;
e. het bijbrengen van eerbied voor de natuurlijke omgeving.”

top

De draagwijdte van dit artikel wordt verder verduidelijkt in ‘General Comment 1’ van het Committee on the Rights of the Child2, dat stelt

“Artikel 29 (1) kan ook gezien worden als een grondslag voor de verschillende programma’s voor mensenrechteneducatie waartoe de Wereldconferentie Mensenrechten, in 1993 in Wenen gehouden, opriep en die gepromoot wordt door internationale instellingen. Nochtans hebben in het kader van dergelijke programma’s de kinderrechten niet altijd de plaats gekregen die ze vereisen. Mensenrechteneducatie zou informatie moeten geven over de inhoud van mensenrechtenverdragen. Maar kinderen zouden ook moeten leren over mensenrechten door deze standaarden in de praktijk toegepast te zien, of dit nu thuis weze, op school of in de plaatselijke gemeenschap. Mensenrechteneducatie zou een alomvattend levenslang proces moeten zijn dat start met de weerspiegeling van mensenrechtenwaarden in het dagelijks leven en ervaring van kinderen.”

Er wordt verder gewezen op het belang van het integreren van educatie in internationaal humanitair recht, een dikwijls verwaarloosd aspect.

Het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (1966) stelt in artikel 13 dat het onderwijs

“gericht dient te zijn op de volledige ontplooiing van de menselijke persoonlijkheid en van het besef van haar waardigheid” en dat het dient bij te dragen “tot de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ... dat het ... een ieder in staat dient te stellen een nuttige rol te vervullen in een vrije samenleving en het begrip, de verdraagzaamheid en de vriendschap onder alle volken en alle rasgemeenschappen, etnische en godsdienstige groeperingen, alsmede de activiteiten van de Verenigde Naties voor de handhaving van de vrede dient te bevorderen”.

Het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende Discriminatie bij Tewerkstelling of Beroep (Verdrag 111, 1960) vereist dat staten onder meer educatieve programma’s aanmoedigen die geschikt zijn om gelijkheid van kansen en behandeling bij tewerkstelling en beroep te helpen aanvaarden en eerbiedigen. De VN Verklaring inzake de Uitbanning van alle Vormen van Rassendiscriminatie (1963) en het gelijknamige verdrag (1965) sluiten dicht aan bij de bewoordingen van de UVRM. Artikel 7 van het verdrag stelt

“De Staten die partij zijn bij dit Verdrag nemen de verplichting op zich onverwijld doeltreffende maatregelen te nemen, met name op het gebied van onderwijs, opvoeding, cultuur en voorlichting, met het oog op de bestrijding van vooroordelen die tot rassendiscriminatie leiden, en het bevorderen van begrip, verdraagzaamheid en vriendschap tussen volken en rasgemeenschappen of etnische groepen, alsook met het oog op het uitdragen van de doelstellingen en beginselen van het Handvest der Verenigde Naties, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, de Verklaring van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en van dit Verdrag.”

top

Ook het Verdrag inzake de Uitbanning van alle vormen van Discriminatie van Vrouwen (1979) bevat een bepaling met betrekking tot opvoeding en onderwijs. Artikel 10 stelt namelijk:

“De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, nemen alle passende maatregelen om discriminatie van vrouwen uit te bannen ten einde vrouwen rechten te verzekeren die gelijk zijn aan die van mannen op het gebied van onderwijs en vorming, en in het bijzonder, op basis van gelijkheid van mannen en vrouwen, het volgende te garanderen:
...
c) uitbanning van elke stereotiepe opvatting van de rol van mannen en vrouwen op alle niveaus en in alle vormen van onderwijs, door het aanmoedigen van gemengd onderwijs en andere soorten onderwijs die zullen bijdragen tot het bereiken van dit doel, en in het bijzonder door de herziening van leerboeken en onderwijsprogramma's en door de aanpassing van onderwijsmethodes; ...”

De Verklaring betreffende Onverdraagzaamheid, van het Comité van Ministers van de Raad van Europa (1981), stelt dat dit comité beslist

“om het bewustzijn te bevorderen van de vereisten van mensenrechten en de ermee verbonden verantwoordelijkheden in een democratische samenleving, en om te bevorderen dat in scholen het met dit doel, bovenop mensenrechteneducatie, gewerkt wordt , vanaf het lager onderwijs af, aan een klimaat van actief begrip van en respect voor de kwaliteiten en cultuur van de anderen...”

Ook de Verklaring betreffende de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, van het Comité van Ministers van de Raad van Europa (1988) vermeldt de noodzaak van educatie in dit deelterrein.

Daarnaast zijn er ook verschillende UNESCO-aanbevelingen en de UNESCO ‘Montreal Verklaring’ betreffende educatie die verwijzen naar mensenrechten. Ze bevatten aanbevelingen tot interculturele educatie en geven onder meer aan dat participatieve technieken essentieel zijn voor educatie.

De VN Wereldconferentie Mensenrechten in Wenen (1993) gaf in de ‘Verklaring en Actieprogramma van Wenen’ duidelijk aan dat de internationale gemeenschap een groot belang hecht aan mensenrechteneducatie “voor het bevorderen en bereiken van harmonieuze relaties tussen de tussen de gemeenschappen en voor het bevorderen van wederzijds respect, verdraagzaamheid en vrede.” Ze roept staten en instellingen op mensenrechten, humanitair recht, democratie en de rechtsstaat op te nemen in de curricula van alle vormings- en opleidingsinstellingen in formele en niet-formele omgevingen. Mensenrechteneducatie zou onderwerpen zoals vrede, democratie, ontwikkeling en sociale rechtvaardigheid moeten omvatten, zoals aangegeven in internationale en regionale mensenrechteninstrumenten. Aan de staten wordt aanbevolen specifieke programma’s en strategieën te ontwikkelen om de breedste mensenrechteneducatie en verspreiding van publieke informatie te verzekeren, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de mensenrechtenbehoeften van vrouwen. De regeringen worden in deze tekst opgeroepen om mensenrechteneducatie te initiëren en te ondersteunen.

Als gevolg van de oproep die ook deel uitmaakte van de bovengenoemde Verklaring besloot de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties dan tot het Decennium voor Mensenrechteneducatie 1995-2004
3. De Guidelines for National Plans of Action for Human Rights Education4 die door de VN in het kader van het decennium werden uitgewerkt, maken ook melding van het belang van mensenrechteneducatie voor duurzame ontwikkeling en voor het milieu. De hoofdbedoeling van de ‘Guidelines’ bestaat erin door een nationaal comité voor mensenrechten een nationaal actieplan voor mensenrechteneducatie te laten ontwikkelen, nadat in een eerste fase een studie werd uitgevoerd over de huidige stand van zaken, en prioriteiten en prioritaire doelgroepen werden vastgelegd. De oprichting, in Vlaanderen, van VORMEN vzw (Vlaamse Organisatie voor Mensenrechteneducatie), in april 2000, moet gezien worden als een privé-initiatief om werk te maken van een belangrijk deel van de eigenlijke doelstellingen van het decennium: ervoor zorgen dat er op een permanente wijze in Vlaanderen expertise en capaciteit beschikbaar is in mensenrechteneducatie. VORMEN vzw wil uitgroeien tot een organisatie die voor het hele inhoudelijke terrein van mensenrechteneducatie, en voor alle mogelijke doelgroepen, activiteit ontplooit. VORMEN wil daarbij strategische keuzes maken, om haar missie op een zo effectief en efficiënt mogelijke manier te volbrengen.

top

1. Mensenrechteneducatie

Zoals Paul Morren in 'De Rechten van de Mens'
5 terecht stelt zijn mensenrechten “heel wat meer ... dan een stel van juridische normen”. En hij vervolgt: “Ze zijn immers ook en in niet mindere mate een stel van ethische waarden, een getuigenis van het gehalte dat een beschaving eigen is, een spiegelbeeld van het mens-zijn.” Mensenrechteneducatie is meer dan de overdracht van de kennis van en het respect voor de normen en standaarden die in het internationaal recht zijn vastgelegd. In mensenrechteneducatie gaat het evenzeer om de waarden die aan deze internationale normen ten grondslag liggen.

Er zijn heel wat definities van mensenrechteneducatie te geven. Die zijn op hun beurt best te situeren in een definitie van educatie zelf. Voor wat betreft kinderen en jongeren wordt er in het bovengenoemde ‘General Comment n° 1
6 uitgebreid aangegeven waaraan educatie vanuit het kinderrechtenperspectief moet beantwoorden:

“De educatie waarop elk kind recht heeft is er een die ontworpen wordt om het kind te voorzien van vaardigheden voor het leven, om de capaciteit van het kind te versterken om te genieten van het volledige gamma aan mensenrechten en om een cultuur te bevorderen die doordrenkt is van alle geëigende mensenrechtenwaarden. Het doel is de eigen mogelijkheden van het kind te vergroten door zijn of haar vaardigheden, leer- en andere capaciteiten te ontwikkelen evenals zijn/haar menselijke waardigheid, zelfbeeld en zelfbewustzijn.”

De definitie die aan mensenrechteneducatie, in het kader van het VN Decennium Mensenrechteneducatie, gegeven wordt, luidt:

"opleidings-, verspreidings-en informatie-inspanningen, gericht op het opbouwen van een universele mensen-rechtencultuur door middel van het doorgeven van kennis en vaardigheden en door middel van het vormen van attitudes gericht op:
het versterken van het respect voor mensenrechten en fundamentele vrijheden;
de volle ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en het gevoel van zijn waardigheid;
het promoten van begrip, tolerantie, gelijkheid tussen de seksen, vriend-schap tussen alle naties, inheemse volkeren en raciale, nationale, etnische, religieuze en taalgroepen;
het in staat stellen van alle personen om effectief deel te nemen aan een vrije samenleving;
het voortzetten van de activiteiten van de Verenigde Naties voor het behoud van de vrede."

De definitie van mensenrechteneducatie, gegeven door de Vlaamse Organisatie voor Mensenrechteneducatie (VORMEN vzw) luidt:

“mensenrechteneducatie is het geheel van activiteiten die ontworpen worden om mensen in staat te stellen
kennis te verwerven van en inzicht te verkrijgen in
  • de mensenrechtenbegrippen en de onderliggende waarden en houdingen die leiden tot respect voor mensenrechten;
  • de instrumenten die mensenrechten beschermen en de naleving ervan registreren;
de vaardigheden te verwerven nodig voor het eerbiedigen en doen eerbiedigen van mensenrechten;
waarden en houdingen tot de hunne te maken
  • die dezelfde rechten voor allen tot stand brengen;
  • die actie ter bescherming van mensenrechten aanmoedigt.”

top

In de publicaties over mensenrechteneducatie van tal van gespecialiseerde instellingen en niet-gouvernementele organisaties wordt aangemoedigd het verband te leggen tussen rechten en verantwoordelijkheden7, en die verantwoordelijkheden te leggen bij overheden, bij groepen en organisaties en bij individuele personen. Dit sluit aan bij de oproep, in de preambule van de Universele Verklaring, "opdat ieder individu en elk orgaan van de gemeenschap ... er naar zal streven ... deze rechten algemeen en daadwerkelijk te doen erkennen en toepassen." Deze oproep wordt verder aangevuld door artikel 29,1 "Eenieder heeft plichten jegens de gemeenschap, zonder de welke de vrije en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid niet mogelijk is.” Op deze wijze wordt voorkomen dat op mensenrechten enkel een beroep wordt gedaan wanneer dat goed uitkomt voor een persoon, een groep of de staat. Dit in aanmerking genomen komt de praktijk van mensenrechteneducatie vrij dicht te liggen bij de educatie voor democratisch burgerschap, al is de focus niet echt identiek.

Over de relatie tussen mensenrechteneducatie en educatie voor democratisch burgerschap schrijft Lynn Davies
8:

“Terwijl er sommige verschillen zijn tussen opvoeding tot burgerschap en mensenrechteneducatie in termen van precieze inhoud en geschiedenis zijn er enkele sleutel-bezorgdheden die ze met elkaar verbinden. Deze kunnen samengevat worden als:
hun brede doelstellingen, die kennis/inzicht, waarden/houdingen en vaardigheden bestrijken;
het moderniseren van scholen en van het curriculum, met een duidelijker omschrijving van waarden voor de eenentwintigste eeuw;
het verhogen van de betrokkenheid van de leerling en het verhogen van hun bekwaamheid tot het voeren van weloverwogen actie, meer bepaald (in de ‘maximale’ vorm) het proberen hen in staat te stellen verandering in hun samenleving in de toekomst tot stand te brengen.”

En verder:

“De voordelen van het met elkaar verbinden van educatie voor democratisch burgerschap en mensenrechteneducatie hebben betrekking op de betekenis van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind voor het bevestigen van de leerling als burger van de school; op de bruikbaarheid van mensenrechten als een basis om over publieke onderwerpen van burgerschap en van morele waarden te beslissen, en het internationaal karakter van rechten die een raamwerk leveren voor en het belang onderstrepen van de vorming tot wereldburger.
Wat het ultieme doel betreft, vergen beide, mensenrechteneducatie en educatie voor burgerschap, een stukje overtuiging. ... Beide zijn langetermijnprojecten. Beide kijken ze naar de toekomst: het gaat hem om het veranderen van overtuigingen en van handelswijzen, van individuen en van naties.”

Dit pleit ervoor om mensenrechteneducatie en de educatie voor democratisch burgerschap op een geïntegreerde manier te benaderen.

top

2. Mensenrechteneducatie: over, voor en door mensenrechten

Waar het gaat om kinderrechten en onderwijs hanteert men meestal de driedeling
9recht OP onderwijs’, ‘recht IN onderwijs’ en ‘recht DOOR onderwijs’, als de drie categorieën van kinderrechten die met onderwijs te maken hebben. Mensenrechteneducatie situeert zich in de laatste categorie.

Mensenrechteneducatie kunnen we echter op zijn beurt in een drie-eenheid samenvatten: “over, door en voor mensenrechten”.
Over mensenrechten. Hier gaat het om kenniselementen waar deze voor het doelpubliek relevant zijn. Kennis van de waarden en normen van mensenrechten. Inzicht in de geschiedenis van de mensenrechten. Kennis van handelingsmogelijkheden. Kennis van relevante organisaties. ...
Voor mensenrechten. Respect kunnen opbrengen voor mensen met andere opinie. Conflicthantering. Kunnen opkomen voor mensenrechten, en hierbij van verschillende uitdrukkingsmiddelen gebruik maken. ...
Door mensenrechten. De maatschappelijke omgeving en de leeromgeving dragen hun verborgen mensenrechtenboodschap over (het ‘verborgen curriculum’). Hoe gaat de school om met diversiteit? Draagt de school effectief bij tot gelijke kansen? Wordt de leerling uitgenodigd tot inbreng op alle niveau’s? ...

top

3. Mensenrechteneducatie, een breed terrein

a) Mensenrechten juridisch bekeken

Onvermijdelijk bestrijkt mensenrechteneducatie een zeer breed terrein. Zelfs als men enkel vanuit het internationaal recht naar het begrip mensenrechten kijkt, blijkt immers dat het een inhoudelijk brede waaier van deelonderwerpen bestrijkt: van de vrijheid om zich te verplaatsen tot het recht op een onderdak, van het recht om deel te nemen aan het bestuur van zijn land tot het recht op eigendom, van het recht op ontwikkeling tot het recht op privacy. Over elk van deze deelonderwerpen zijn er op het internationale of op het Europese vlak min of meer concrete afspraken vastgelegd: minimale normen waaraan staten zich dienen te houden of die staten in hun eigen land dienen te bewaken. Mensenrechten hebben dus betrekking op een uitgebreid aantal aspecten van het dagelijks leven. En gezien de grens tussen mensenrechten en internationaal humanitair recht op juridisch vlak wat dunner lijkt te worden, is het vrij kunstmatig om deze werelden op het terrein van educatie gescheiden te houden. Daarbij moeten we beseffen dat ook al zijn de mensenrechten ‘geconsacreerd’ in een aantal eerbiedwaardige verklaringen en verdragen, het begrip en de afbakening van mensenrechten niet als definitief en voor eeuwig geldend mogen beschouwd worden. Mensenrechten zijn een dynamisch gegeven, waarbij inzichten en aspiraties voortdurend in beweging zijn.
Mensenrechten zijn een dynamisch gegeven, waarbij inzichten en aspiraties voortdurend in beweging zijn.

Gezien naast inhouden ook vaardigheden tot de doelstellingen van mensenrechteneducatie horen wordt het terrein enkel nog breder. Zo is er de vaardigheid om gebruik te maken van de internationale en andere normen om het respect voor de eigen rechten of voor die van de groep waartoe men behoort op te komen. Er is de vaardigheid om op te komen voor de rechten van zichzelf en van anderen, ook wanneer dit tegen de stroom in lijkt te gaan. Ook is er de vaardigheid om zich te organiseren, campagnes te voeren,... in het belang van het realiseren van mensenrechten.

Tenslotte gaat het in mensenrechteneducatie ook om houdingen, om attitudes: de houding om niet te aanvaarden dat op de eigen rechten of die van een ander inbreuken worden gepleegd, de houding om in situaties waar dit relevant is zelf de mensenrechten van anderen na te leven. ...

top

b) Een ‘cultuur van mensenrechten’: mensenrechten als een stel van universele waarden

Als we mensenrechteneducatie bekijken op het niveau van waarden, dan is het feitelijk niet mogelijk om een echt inhoudelijk terrein af te bakenen, tenzij de afbakening dat het gaat om de relatie tussen de individuele persoon (als individu, en als deel van een groep) en andere mensen (als individu, als groep, in de context van een organisatie,...). Men kan hier stellen dat bijvoorbeeld wat men de relatie van de persoon met zichzelf noemt, strikt genomen buiten de context van mensenrechten valt, en ook de relatie van de persoon met zijn materiële omgeving, voor zover dit niet indirect effect heeft op andere mensen. Afhankelijk van het mensbeeld of het wereldbeeld dat men aankleeft, zijn er zo nog wel een aantal terreinen die, minstens gedeeltelijk, buiten het terrein van mensenrechten vallen. Eerder dan een inhoudelijke afbakening gaat het bij mensenrechten, op het niveau van waarden gezien, om een manier om tegen tal van dingen aan te kijken, om een soort bril waardoorheen men tal van situaties, ook uit het dagelijks leven, kan bekijken. De omgang met andermans eigendom, de omgang met niet-hernieuwbare grondstoffen, de omgang met seksualiteit, hoe men zich gedraagt bij een toeristisch bezoek aan een kerk, hoe men mensen bejegent met een andere smaak wat betreft kledij, ... Dit zijn allemaal onderwerpen waarop men kan aankijken vanuit de invalshoek van de waarden die de grondslag vormen van de mensenrechten.

Ook op dit waardenniveau (een ‘cultuur van mensenrechten’) gaat het over vaardigheden, houdingen en kennis. Er is de vaardigheid om respectvol om te gaan met mensen met een andere culturele achtergrond. Er is de vaardigheid om in een situatie waar de groepsdruk het tegengestelde verlangt, op te komen voor de zwakkere. Er is de vaardigheid om anderen te overtuigen dat het beter is dat het rijke Noorden streeft naar een betere verdeling van de welvaart. Er is de vaardigheid om op een evenwichtige manier om te gaan met verantwoordelijkheid, of met macht. Er is de vaardigheid om zich in te leven in het standpunt van personen die zich destructief opstellen ten aanzien van de samenleving. Dat het daarbij ook om houdingen gaat, is evident. Ook kennis kan echter een sleutelrol spelen in het domein van de ‘cultuur van mensenrechten’: kennis van andere gewoonten en gebruiken, kennis van en inzicht in economische verhoudingen, kennis van machtsverhoudingen. ... Dat het in mensenrechteneducatie gaat om rechten en de ermee verbonden verantwoordelijkheden zorgt daarbij uitdrukkelijk voor een niet-eenzijdige benadering.

De samenhang die mensenrechteneducatie biedt aan al deze verschillende onderwerpen en gebieden is één van de meerwaarden die mensenrechteneducatie biedt, waardoor een al te gefragmenteerde aanpak van verschillende samenlevingsthematieken vermeden wordt.

Drie generaties mensenrechten

Mensenrechten worden door de internationale gemeenschap beschouwd als universeel en ondeelbaar. Uiteraard straalt dit af op mensenrechteneducatie. Dit heeft als gevolg dat, als men zich in mensenrechteneducatie beperkt tot bijvoorbeeld de mensenrechten van de eigen groep, met impliciete of expliciete ontkenning van de rechten van anderen, dit haaks staat op wat men in dit kader mag verwachten. Het betekent ook dat het bijvoorbeeld niet aanvaardbaar is het begrip mensenrechten te verengen tot de klassieke eerste generatie rechten, m.n. politieke vrijheids- en gelijkheidsrechten, ook burgerlijke en politieke rechten genoemd. Mensenrechteneducatie heeft dus eveneens betrekking op de economische, sociale en culturele rechten (ook de tweede generatie rechten genoemd). Het thema ‘sociale rechtvaardigheid’ maakt dus integraal deel uit van het domein van de mensenrechten. Daarenboven stellen de teksten van het VN Decennium mensenrechteneducatie dat ook het recht op ontwikkeling (zoals vastgelegd in de VN Verklaring van het Recht op Ontwikkeling) in mensenrechteneducatie moet bestreken worden. Dit recht op ontwikkeling wordt meestal beschouwd als deel uitmakend van de derde generatie mensenrechten, de zogenaamde solidariteitsrechten (zoals ook het recht op vrede, het recht op een gezond leefmilieu,...), waarvoor echter nog geen internationale verdragen tot stand kwamen.

Mensenrechteneducatie is desalniettemin bescheiden als aanpak. Een mensenrechtenbenadering laat ruimte voor diverse soorten al dan niet religieuze levensovertuigingen, diverse persoonlijkheidsstijlen, diverse culturen,... mits deze maar niet in contradictie zijn met de mensenrechtenwaarden: respect voor pluriformiteit kan daarbij als een soort van lakmoesproef fungeren.

Tenslotte: mensenrechten zijn niet steeds eenduidig. Daar waar sommige mensenrechten zoals het verbod op foltering als absoluut gelden, dit wil zeggen dat ze in alle omstandigheden moeten nageleefd worden, zijn er tal van situaties waarbij een mensenrechtenbenadering geen eenduidig gedragspatroon oplevert. Er zijn immers de vele gevallen waarbij rechten met elkaar in conflict zijn. Het recht op voedsel van persoon A kan in een bepaalde situatie van schaarste in conflict zijn met het recht op voedsel van persoon B. In andere gevallen is het ene recht in tegenstrijd met het andere. Zo staat soms het recht op privacy haaks op het recht op fysische integriteit van de andere: in de misdaadbestrijding kan het fluistering van telefoongesprekken soms het plegen van dodelijke gewelddaden voorkomen. In mensenrechteneducatie zal dit tot uitdrukking komen in het leren overwogen keuzes te maken.

top

4. Mensenrechteneducatie: de methode is deel van de boodschap

Indien we door mensenrechteneducatie effectief willen bijdragen tot respect voor verscheidenheid, tot solidariteit met kansarmen, tot verantwoordelijkheid en inzet, ... dan zullen deze waarden integraal deel moeten uitmaken van de methodes die we toepassen. Essentieel daarbij is dat de persoon van de ‘lerende’ als een volwaardig persoon wordt beschouwd, met een eigen waardevolle inbreng. Daarbovenop zijn er de actuele inzichten in factoren die een positieve invloed hebben op effectief leren, die op een breed veld van onderwerpen, vaardigheden, ... van toepassing zijn. We willen hier, zonder volledig te willen zijn, enkele basisprincipes aanhalen voor wat we als belangrijke elementen zien op het vlak van de methodes voor mensenrechteneducatie.

  • Gebruik van interactieve methodes. Al is interactiviteit op zich geen garantie dat de boodschap die daarbij wordt uitgezonden strookt met de doelstelling. Interactiviteit kan immers gebruikt worden als een soort van slimme verkoopstruc waarbij de lesgever of begeleider van de groep volledig blijft bepalen wat wel of niet waardevol is en waarin het geheel zal uitmonden.

  • Het integreren van de eigen leefwereld van de deelnemers. Op deze manier wordt vermeden dat wat in een leersituatie gebeurt een abstractie blijft voor de betrokkenen, van geen relevantie voor het eigen leven.

  • Ervaringsgericht werken. Dit kan variëren van het vertrekken van ervaringen die individuele deelnemers reeds eerder opgedaan hebben (ervaringen uit de kindertijd, gebeurtenissen in hun gezin, ...), over situaties die de groep onlangs als groep beleefde, tot ervaringen die door middel van een doelgericht gecreëerde vormingssituatie tot stand gekomen zijn.

  • Een verscheidenheid van methodes toepassen, zodat verschillende leerstrategieën aan bod komen.

  • Gericht zijn op de hele mens, niet enkel het verstand. Niet enkel een intellectuele behandeling tot stand brengen, maar ervoor zorgen dat ook de gevoelsmatige aspecten aan bod komen. En bij methodieken waar verwerking van informatie, ervaringen, ... het doel vormen, ook andere dan puur verbale uitdrukkingsvormen aan bod laten komen.

  • Gericht zijn op handelen. Welke aspect van mensenrechten ook aan bod komt, het is van weinig betekenis als het bij beschouwingen blijft. Aanzet tot handelen kan echter in vele vormen gebeuren. Deelnemers kunnen reflecteren over hoe ze in de toekomst met bepaalde situaties willen omgaan, of hoe ze er effectiever mee kunnen omgaan. Er kunnen binnen de groep concrete afspraken gemaakt worden of groepsregels worden vastgelegd. De groep kan een gezamenlijke visie op een bepaald onderwerp op de een of andere manier naar buiten brengen. Of er kan deelgenomen worden aan een actie of campagne van een niet-gouvernementele organisatie...

  • Er is een veelheid van mogelijke antwoorden op vragen. Mensenrechteneducatie zal niet de manier zijn om het juiste antwoord op vragen te geven. Men zal er van uitgaan dat meestal meerdere antwoorden kunnen gegeven worden, dat verschillen van mening of inzicht een normaal gegeven zijn.

top

5. Mensenrechteneducatie, een contradictio in terminis?

De vraag is hier of mensenrechteneducatie, als educatie waarbij de doelstellingen in zekere zin vooraf vastgelegd worden, op zich wel verzoenbaar is met de idee dat de ‘lerende’ ernstig moet worden genomen, dit wil zeggen dat we de lerende moeten laten meester zijn van de doelstellingen die deze zelf wenst te bereiken. Anders gezegd: is mensenrechteneducatie die ‘open-ended’ is nog wel educatie? of is mensenrechteneducatie die niet volledig ‘open-ended’ is wel acceptabel vanuit de toepassing van de eigen mensenrechtenprincipes?
Deze kwestie kan deels worden opgelost als in een setting voor mensenrechteneducatie wordt aangegeven wat de richting is waarin de activiteit uitgaat, zodat er geen sprake is van een verborgen agenda. Een ander deel van de oplossing wordt gegeven door het, minstens vanaf een bepaalde fase, uitdrukkelijk openlaten voor eenieders persoonlijke keuze welke richting die zelf uitgaat. Vanuit dit oogpunt bekeken kan mensenrechteneducatie geen hogere ambities hebben dan ertoe bijdragen dat mensen en/of groepen de mogelijkheid hebben zelf bewust keuzes te maken voor waarden en normen die met mensenrechten verband houden en voor de concrete uitingen ervan.

Laten we daarbij niet uit het oog verliezen dat een mensenbenadering in zeer veel gevallen allesbehalve eenduidige antwoorden geeft op concrete vragen (zoals “Is diefstal van voedsel aanvaardbaar indien dit de enige manier is om ondervoeding te vermijden?”). In deze veelvuldig voorkomende situaties zal de opdracht in mensenrechteneducatie er vooral in bestaan mensen te begeleiden in het maken van persoonlijke overwogen keuzes, rekening houdend met de verschillende mensenrechtenaspecten die een rol spelen.

6. Mensenrechteneducatie, en actie?

Waar we hierboven poneerden dat mensenrechteneducatie op handelen gericht is, is het anderzijds toch niet evident mensenrechteneducatie te ‘gebruiken’ als een strategie die moet leiden tot een vooraf vastgelegde vorm van actie, welke nobele bedoelingen deze ook moge hebben. Iets anders is zich in het kader van een open groepsproces samen met de deelnemers afvragen wat men verder zal aanvangen met wat men geleerd heeft. Als dit dan tot deelname aan een of andere vorm van georganiseerde actie leidt, dan vervalt uiteraard dit bezwaar.

top

Hoofdstuk 2. Mensenrechteneducatie in onderwijs Vlaanderen: het kader

1. Het curriculum

De eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het basisonderwijs
10, reeds enkele jaren van kracht, bevatten een aantal expliciete elementen van mensenrechteneducatie, zoals het leren kennen van kinderrechten en van internationale organisaties (in de eindtermen voor Wereldoriëntatie). In het secundair onderwijs komen mensenrechten vooral aan bod in de vakoverschrijdende eindtermen ‘Opvoeden tot burgerzin’ en in de eindtermen voor geschiedenis, aardrijkskunde en maatschappelijke vorming. Het zwaartepunt bij eindtermen die expliciet verwijzen naar mensenrechten ligt daarbij in de tweede graad. De vakoverschrijdende eindtermen ‘Opvoeden tot burgerzin’ voor de derde graad behandelen een aantal onderwerpen, zoals de internationale samenwerking, de mondiale dimensie, de verdeling van de welvaart die impliciet tot het terrein van mensenrechten horen, jammer genoeg echter zonder dat ze in mensenrechtentermen gesteld zijn, wat een correcte beeldvorming over mensenrechten kan verstoren. Daarnaast bieden de leerplannen van de levensbeschouwelijke vakken ‘Katholieke godsdienst’, ‘Niet-confessionele zedenleer’ ook impliciete of expliciete inhouden van mensenrechteneducatie, alsook aanknopingspunten ervoor.

Het is ook belangrijk te vermelden dat de vakoverschrijdende eindtermen ‘Sociale vaardigheden’ voor het secundair onderwijs melding maken van het kinderrechtenperspectief waarin deze dienen te worden aangepakt, namelijk door de leerlingen in de onderwijscontext als volwaardige participanten te zien. Dit principe is echter niet expliciet in de eindtermen zelf terug te vinden. Het evaluatie-instrument
11 voor de vakoverschrijdend eindtermen dat de inspectie secundair onderwijs aan het onderwijs ter beschikking stelt laat niet toe met zekerheid uit te maken of de inspectie al dan niet de toepassing van dit principe aan de praktijk zal toetsen.

Als we het geheel van vakoverschrijdende eindtermen die voor mensenrechten relevant zijn bekijken, vooral die onder ‘Opvoeden tot burgerzin’, ‘Sociale vaardigheden’ en ‘Milieueducatie’, dan zien we dat waar het expliciet over mensenrechten gaat het vooral, doch niet uitsluitend, gaat om de intellectuele aspecten ervan (categorieën als kennen, begrijpen, herkennen,...) en dat mensenrechten hier vooral in de juridische betekenis van het woord gebruikt worden. Voor mensenrechteneducatie relevante eindtermen op het vlak van vaardigheden, waarden en houdingen zijn meestal niet in mensenrechtentermen gesteld. Dit werkt het risico in de hand dat mensenrechten door de leerlingen eerder zullen gezien worden als een vooral juridische materie die zich hoofdzakelijk ver-van-het-bed afspeelt, met eerder weinig relevantie voor zichzelf, noch in termen van het genot van de eigen rechten, noch in termen van opdracht voor zichzelf in het leven van alledag.

top

Geen resultaatsverbintenis

De vakoverschrijdende eindtermen zijn eindtermen waarvan de scholen, in tegenstelling tot de vakgebonden eindtermen, niet moeten kunnen aantonen dat hun leerlingen die afdoende bereiken. Ze zijn ertoe gehouden inspanningen te leveren om deze te bereiken, zonder resultaatsverbintenis. Dit laatste kan ertoe bijdragen dat de scholen en de leerkrachten, die zich nu al beklagen over de grote werklast die op hen wordt gelegd, dit aspect van hun opdracht minder ernstig zullen nemen. Daarbij komt nog dat het vakoverschrijdende karakter van deze eindtermen, in principe aanbevelenswaardig, voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs, gezien de meer vakgerichte onderwijscultuur die er heerst, niet overal even gemakkelijk ingang zal vinden.

Het Committee of the Rights of the Child heeft in haar “Concluding observations”12 naar aanleiding van recentste vijfjaarlijkse rapportering van ons land over de toepassing van het Kinderrechtenverdrag, op twee punten kritiek op de Belgische aanpak inzake mensenrechteneducatie.

Enerzijds stelt het

Het Comité is bezorgd dat de educatiedoelen zoals omschreven in artikel 29 van het Verdrag, inclusief de ontwikkeling en het respect voor mensenrechten, verdraagzaamheid en gelijkheid tussen de geslachten en religieuze en etnische minderheden niet expliciet zijn opgenomen in de curricula van de verdragsluitende staat.” 13

en verder

“Het Comité raadt de verdragsluitende staat aan om, rekening houdend met de algemene aanbeveling nr. 1 van het Comité over de educatiedoeleinden, mensenrechteneducatie, inclusief kinderrechten, op te nemen in de curricula van alle basis- en secundaire scholen, met name met betrekking tot de ontwikkeling en het respect voor mensenrechten, verdraagzaamheid en gelijkheid van de geslachten en van religieuze en etnische minderheden.”

Anderzijds stelt het, met betrekking tot de bekendmaking van het Kinderrechtenverdrag,

“However, the Committee is concerned that the State party is not undertaking adequate dissemination, awareness-raising and training activities concerning the Convention in a systematic and targeted manner.”

Ook het Kinderrechtencommissariaat zit op deze lijn in haar advies over deze eindtermen14, en stelt daarbij onder meer dat eindtermen mensenrechteneducatie voldoende zouden moeten verankerd zijn in vakgebonden eindtermen.

De invulling die men geeft aan het principe van de onderwijsvrijheid is wellicht de belangrijkste hinderpaal voor vertalen van de verplichting tot mensenrechteneducatie, die als gevolg van bovengenoemde internationale verdragen en andere bepalingen op de staat rust, in verplichtingen voor de scholen. En waar de bestaande pedagogisch projecten niet meteen strijdig lijken te zijn met de rechten van het kind dient toch gesteld dat, indien dat wel het geval zou zijn, de kinderrechten van toepassing blijven. Daarnaast is de niet-denkbeeldige vrees dat scholen en leerkrachten zich als gevolg van deze vakoverschrijdende eindtermen overvraagd voelen, wellicht mee schatplichtig aan het verwateren van het statuut van deze eindtermen tot een inspanningsverbintenis, en dit voor al de vakoverschrijdende eindtermen. Veel zal in de praktijk echter afhangen van de manier waarop de inspectie haar taak op het terrein van de vakoverschrijdende eindtermen zal invullen. Er is ook ruimte voor stimulerende maatregelen allerhande waardoor de overheid aan mensenrechteneducatie een hoger profiel kan helpen geven. En, op langere termijn gezien, lijkt het vanzelfsprekend dat de overheid, via degelijk onderzoek, nagaat of het door haar uitgestippelde beleid van eindtermen en ontwikkelingsdoelen effectief is met betrekking tot de doelstellingen die zij krachtens de relevante verdragsrechtelijke verplichtingen moet realiseren.

top

Mensenrechten in het hoger onderwijs

Uiteraard zijn mensenrechten ook voor het hoger onderwijs relevant, en is het wenselijk dat er op een meer diepgaande wijze wordt op ingegaan, én vanuit het standpunt van de algemene vorming én vanuit het standpunt van de specifieke vakopleiding die men er volgt. Voor een aantal opleidingen echter is het opnemen van mensenrechteneducatie in het curriculum dubbel belangrijk, gezien de opleiding zelf zich in het educatieve of agogische veld situeert of gezien de beroepssector voor een groot aantal van de afgestudeerden een onmiddellijke relatie vertoont met het eerbiedigen van mensenrechten. Denken we daarbij niet enkel aan alle vormen van de lerarenopleiding en aan de opleidingen in sociale hogescholen, pedagogische en agogische opleidingen, opleidingen tot opvoeder, maar ook aan opleidingen recht en criminologie, politieopleidingen, militaire opleidingen, ... Ook in de voortgezette opleidingen en de initiatieven voor levenslang leren horen mensenrechten thuis. De hervorming van het hoger onderwijs, de toepassing namelijk in ons land van het Europese Bologna-akkoord, biedt voor onze overheid de geschikte gelegenheid om hier regelgevend op te treden. Toch is onze overheid weinig geneigd om voor het hoger onderwijs, naar analogie als voor het basis- en het secundair onderwijs, zoiets als eindtermen vast te stellen: ze delegeert de bevoegdheid om deze hogere studies inhoudelijk en pedagogisch vorm te geven naar de scholen zelf. Voor de opleidingsinstituten zelf biedt de hervorming van het hoger onderwijs, en de inhoudelijke en methodische hervorming die men er in veel hogescholen en universiteiten aan koppelt, de opportuniteit om op een coherente manier mensenrechteneducatie in de verstrekte opleidingen te integreren, niet alleen als onderwerp op zich, maar ook geïntegreerd in alle gebieden waar kennis, vaardigheden en houdingen in het domein van mensenrechten relevant zijn.

top

Het ‘verborgen curriculum’

Gezien de grote bijdrage die het ‘verborgen curriculum’ van een opleiding levert tot de opvoeding tot mensenrechten willen wij ook bij dit aspect stilstaan. De inspraak van leerlingen en studenten in de eigen klas en school is hierbij één van de betekenisvolle elementen. Hier heeft de Vlaamse overheid reeds verschillende initiatieven genomen. Er is de verplichting tot een georganiseerde vorm van leerlingeninspraak in de secundaire scholen van het Gemeenschapsonderwijs en de verplichting15 voor de scholen van de andere netten om hierin te voorzien van zodra één derde van de leerlingen hier uitdrukkelijk om vraagt.

Ook via het Steunpunt Leerlingenparticipatie en door de subsidiëring van de Vlaamse Scholierenkoepel levert de overheid hier noemenswaardige inspanningen. De vraag die zich hierbij stelt is of deze inspanningen de gewenste resultaten opleveren, met name: worden in de praktijk de leerlingen als echte participanten gezien van het onderwijs? Uit onderzoek16 blijkt dat in het algemeen directies de werking van de leerlingenraad positiever beoordelen dan de leerlingen zelf. Willen we kunnen spreken van een echt participatief schoolklimaat, dan is hier uiteraard nog werk aan de winkel.

De overheid legt ook normen
17 op aan de reglementen die de school uitvaardigt in haar relatie tot leerlingen en hun ouders, en regelt verder de rechtspositie van de leerling. De ervaring met het werkveld leert dat waar deze normen aan leerlingen en ouders rechten toekennen, deze door heel wat onderwijsmensen slechts schoorvoetend geaccepteerd worden, en soms eerder als hinder aanzien worden voor een efficiënt tuchtbeleid, vanuit de vrees voor misbruik van de mogelijkheden tot het inspannen van rechtszaken.

Niet minder belangrijk is het klimaat in de klas, onder meer de relatie tussen leerkracht en leerling. Hier kan de overheid echter moeilijker via regelgeving rechtstreeks een invloed uitoefenen op de dagelijkse praktijk. Andere factoren zoals leerlingenparticipatie, participatie van leerkrachten en ouders, een praktijk van zelfevaluatie van de school, samenwerking met het CLB, ... kunnen hier echter een gunstige invloed op hebben.

We kunnen tenslotte stellen dat de invoering van maatregelen met betrekking tot een gelijke kansenbeleid in het onderwijs een belangrijk potentieel inhoudt tot het geven van een duidelijke mensenrechtenboodschap naar alle onderwijsbetrokkenen toe.

In het algemeen kunnen we dus stellen dat er in de Vlaamse Gemeenschap ernstige inspanningen werden en worden geleverd om de internationale opdracht tot mensenrechteneducatie om te zetten in regelgeving voor het onderwijs. Er is echter nog ruimte om het geheel verder bij te sturen tot een coherent geheel dat doorheen alle opleidingen loopt. En er is zeker ook ruimte voor tal van begeleidende maatregelen die ervoor moeten zorgen dat van het bereiken van de doelstellingen op het terrein echt werk wordt gemaakt. Het recente besluit
18 van het Comité van Ministers van Onderwijs van de Raad van Europa, om de lidstaten aan te bevelen van de opvoeding tot democratisch burgerschap een prioriteit te maken, kan een aanleiding zijn om ook aan mensenrechteneducatie als sleutelcomponent ervan de nodige impulsen te geven. Momenteel wordt in opdracht van de Raad van Europa een pan-Europese studie uitgevoerd die op het domein van burgerschapseducatie aanbevelingen zal doen.

top

2. De ondersteuning

Voor elk domein of thema in onderwijs of opleiding dat enige maatschappelijke relevantie heeft, is er ondersteuning in verschillende vormen nodig. Het kan hier gaan om tekstboeken en andere educatieve materialen, het kan gaan om vorming en bijscholing van de opleiders en opvoeders, het kan gaan om maatregelen die stimulansen geven aan vernieuwing, creativiteit, kwaliteitsverbetering, of die het profiel van het domein helpen ondersteunen. Het kan ook gaan om maatregelen op langere termijn, zoals het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek, die tot bovengenoemde doelstellingen bijdragen. Hier is een opdracht voor de overheid weggelegd, naast een opdracht voor de civiele samenleving.

Heel wat personen, instanties en organisaties in Vlaanderen zijn op de een of andere manier actief op het terrein van mensenrechteneducatie, op zijn minst als onderdeel van een breder werkterrein. Er zijn de pedagogische begeleidingsdiensten van de verschillende onderwijsnetten, er zijn mensenrechtenorganisaties die naast hun acties en campagnes ook het educatieve terrein betreden, er zijn educatieve organisaties wiens werkterrein deelgebieden van mensenrechteneducatie bestrijken, er zijn onderzoekers aan universiteiten die onderzoekswerk verrichten rond mensenrechteneducatie of aanverwante terreinen, ... Er zijn heel wat uitstekende academici met inhoudelijke kennis en er is kwalitatief hoogstaand onderzoek in het domein van mensenrechten. Toch kunnen we moeilijk beweren dat er in Vlaanderen voor mensenrechteneducatie een grote hoeveelheid expertise en capaciteit beschikbaar is, al is er vooral op het deelgebied van educatie rond kinderrechten de laatste jaren een flinke vooruitgang gemaakt. We kunnen daarbij ook vaststellen dat, in de mate dat er expertise en capaciteit beschikbaar is, deze verspreid zit over tal van personen, instellingen en organisaties, wat op zich een beperkende factor is. Wellicht komt dit doordat mensenrechteneducatie een terrein is waarvoor totnogtoe slechts in beperkte mate een expliciet beleid ontwikkeld is. Dit laatste is ook geen eenvoudige zaak, gezien mensenrechteneducatie een materie is die dwars doorheen bevoegdheidsgebieden van verschillende ministers, staatssecretarissen, overheidsadministraties en departementen loopt, zonder dat ergens uitdrukkelijk een coördinerende bevoegdheid is toegewezen. Het is wellicht ook deze factor die er in hoofdzaak voor verantwoordelijk is dat onze overheden nog niet expliciet daadwerkelijke stappen hebben gezet die van hen in het kader van het VN Decennium Mensenrechteneducatie verwacht worden, zoals het opzetten van een ‘nationale werkgroep’ rond de implementatie van het decennium. In de VN verslaggeving
19 rond de implementatie van het decennium zijn er tot hiertoe dan ook geen gegevens terug te vinden over de verwezenlijkingen van ons land op dit terrein. En de tijd dringt hier, nu het einde van het decennium in zicht komt.

Als nieuwe organisatie heeft VORMEN vzw reeds een aantal initiatieven genomen. Met de bescheiden beschikbare middelen is er een begin gemaakt met het ter beschikking brengen van educatieve materialen (voor het onderwijs, voor de jeugdbeweging,...), hoofdzakelijk via deze website
20 waarvan het bezoek maand na maand toeneemt. Er wordt nascholing en ondersteuning gegeven aan scholen die van mensenrechteneducatie, al dan niet in het kader van de eindtermen, werk willen maken. Er wordt een gratis e-mail nieuwsbrief uitgegeven voor leerkrachten en andere onderwijsbetrokkenen. Er wordt werk gemaakt van Nederlandstalige informatieve materialen die mensenrechteninhouden toegankelijk maken voor een publiek van leerkrachten, studenten en leerlingen, en van website-verwijzingen waar uitvoeriger informatie beschikbaar is. Af en toe worden ook workshops met leerlingen begeleid, al verdient het de voorkeur dat het de leerkrachten zelf zijn die hier de centrale rol vervullen. Jeugdorganisaties worden gestimuleerd om mensenrechteneducatie een plaats te geven in hun activiteiten. Er worden contacten gelegd met andere organisaties en instellingen die relevant zijn voor het terrein. Er worden projecten ingediend bij agogische en pedagogische universitaire opleidingen, zodat studenten kennis maken met en betrokken worden bij het mensenrechten-educatiewerk. Er wordt actief geparticipeerd aan de oprichting van een Europees netwerk van organisaties voor mensenrechteneducatie en burgerschapseducatie die op het terrein educatieve activiteit ontwikkelen. Op vraag van de Raad van Europa worden seminaries begeleid in Bosnië-Herzegovina (de laatst tot de Raad van Europa toegetreden staat). En er zijn nog meer plannen die wachten op middelen om ze uit te voeren.

Het is de complexiteit van de bevoegdheidsgebieden waar mensenrechteneducatie zijn toepassing moet krijgen die er tegelijkertijd voor zorgt dat de beschikbaarheid van subsidiekanalen, voor niet-gouvernementele organisaties of instellingen die mensenrechteneducatie als werkterrein in de volle breedte willen ontwikkelen niet gemakkelijk te verenigen is met de vereisten die zich aandienen voor een dergelijk subsidiekanaal. Daardoor riskeert mensenrechteneducatie tussen wal en schip te vallen. Daarbij is het een algemeen kenmerk voor de bestaande subsidiekanalen dat nieuwe initiatieven ontmoedigd worden, ook op terreinen waar er feitelijk een leemte bestaat. Vanuit inhoudelijk oogpunt verdient het de voorkeur dat een subsidiekanaal voor mensenrechteneducatie zoveel als mogelijk de verschillende inhoudelijke deelterreinen kan bestrijken. Vanuit het oogpunt van organisatieontwikkeling is het belangrijk dat een organisatie voor mensenrechteneducatie niet al te klein moet zijn. Pas vanaf een zekere grootte immers is het verzekeren van een voldoende continuïteit en kwaliteit minder in gevaar. Het is daarom aangewezen dat de overheid via haar subsidiekaders de ontwikkeling in de hand werkt van een organisatie of instelling die mensenrechteneducatie in al haar deelaspecten en voor alle mogelijke doelgroepen als missie heeft, en daartoe de meest geschikte educatiestrategieën en werkwijzen in de praktijk wil en kan omzetten. De subsidieverlening zal liefst structureel zijn, aangevuld eventueel met projectsubsidies, om de vereiste continuïteit niet in gevaar te brengen.

top

Conclusies en aanbevelingen

In de Vlaamse Gemeenschap is een goede aanzet gegeven tot de implementatie van de opdracht tot mensenrechteneducatie zoals die onder meer in diverse internationale verklaringen en verdragen vervat ligt. Voor de overheid is nog een taak weggelegd om deze implementatie alomvattender en coherenter te maken. Naast maatregelen die betrekking hebben op het curriculum en op het verborgen curriculum, dient ook aandacht besteed te worden aan een voldoende ondersteuning.

Zonder hierbij de pretentie te hebben volledig te zijn, durven we onder meer de volgende aanbevelingen doen:

  • Het is aan te bevelen dat in ons land het initiatief genomen wordt tot het opzetten van een 'nationaal comité voor mensenrechteneducatie' dat belast wordt met de opdracht die in de ‘guidelines’ van het VN Decennium voor Mensenrechteneducatie omschreven wordt. Ook al ligt de opdracht hiertoe formeel op het federale niveau, het verdient aanbeveling dat bij ontstentenis van een federaal initiatief een gemeenschapsinitiatief genomen wordt. Gezien de staatsstructuur van ons land en de bevoegdheidsverdeling is het immers onvermijdelijk dat een deel van de opdracht naar het gemeenschapsniveau wordt gedelegeerd. Een Vlaams comité voor mensenrechteneducatie kan dan die taken invullen die binnen het bevoegdheidsdomein van de Vlaamse Gemeenschap vallen. Dat het einde van het decennium nadert en het risico groot is dat zo’n comité haar werkzaamheden niet heeft afgerond voor het einde van het decennium hoeft geen reden te zijn om er niet mee te starten: niets hoeft ons tegen te houden om indien nodig het comité na de officiële einddatum van het decennium nog te laten doorwerken.

  • Het is aan te bevelen dat de Vlaamse Gemeenschap in de curricula van alle vormen van opleiding en vorming expliciet de nodige aandacht besteedt aan de normen en waarden van mensenrechten en kinderrechten; dus ook in basiseducatie, in het hoger onderwijs, in de diverse vormen van levenslang en levensbreed leren, ...

  • Het is aan te bevelen dat de Vlaamse Gemeenschap aan mensenrechteneducatie in onze samenleving een voldoende hoog profiel geeft. Initiatieven zoals de Vlaamse Week van de Diversiteit21 in februari 2003 tonen dat hier mogelijkheden zijn weggelegd.

  • De Vlaamse Gemeenschap moet er zorg voor dragen dat er voldoende ondersteuning voor mensenrechteneducatie beschikbaar is op het vlak van educatieve materialen, bijscholing van leerkrachten, onderzoek, ... Zij dient hiertoe geschikte en voldoende financieringskaders te voorzien.

  • De Vlaamse Gemeenschap moet, door het scheppen van het juiste kader, bijdragen tot het in de civiele samenleving tot stand komen van een in kwaliteit en kwantiteit voldoende hoeveelheid expertise en capaciteit in mensenrechteneducatie.

  • De Vlaamse Gemeenschap dient periodiek te evalueren of de regelgeving en de begeleidende maatregelen met betrekking tot mensenrechteneducatie het gewenste effect opleveren in termen van de doelstellingen die in de eindtermen zelf en in de internationale verplichtingen vooropgesteld worden, en moet de regelgeving en de begeleidende maatregelen op basis van de evaluatie zonodig bijsturen. Dit geldt onder meer voor de huidige eindtermen in het kleuter-, het lager en het secundair onderwijs.

Wim Taelman
Coördinator VORMEN vzw (Vlaamse Organisatie voor Mensenrechteneducatie)

top


Download dit artikel in pdf-versie (344 KB, 14 blz.).


1. Uitgebreider informatie hierover is te vinden in: Human Rights Education. International Human Rights Standards and Education in Human Rights, Amnesty International (POL 32/04/96), 1996. Alsook in: Human Rights Education and Human Rights Treaties, United Nations High Commissioner for Human Rights. (terug)
2. Committee on the Rights of the Child, General comment 1: The Aims of Education (17/04/2001) (CRC/GC/2001/1). (terug)
3. Resolutie nr. 49/184 van 23 december 1994. (terug)
4. Zie Human Rights Education and Training. (terug)
5. MORREN, P., De Rechten van de Mens, Leuven, Garant, 1999, 270 blz. (terug)
6. Committee on the Rights of the Child, General comment 1: The Aims of Education (17/04/2001) (CRC/GC/2001/1). (terug)
7. Hiermee bedoelen we geenszins dat het vervullen van bepaalde plichten een voorwaarde zou zijn voor het verkrijgen van zijn mensenrechten. (terug)
8. DAVIES, Lynn, Citizenship education and human richt education. Key concept and debates, The Britisch Council, 2000. (terug)
9. Zie onder meer E. VERHELLEN, Kinderrechten en onderwijs. Een driedubbele bindende taak, Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid. 1997-98, 73-81, en E. VERHELLEN, Verdrag inzake de rechten van het kind, Leuven, Garant, 2001, 129-137. Verder in L. CATRIJSSE, Children's Rights and Education: The Right TO, IN and THROUGH education: three interrelated imperatives, en in E. VERHELLEN (ed.), Understanding Children's Rights, Children's Rights Centre, University of Ghent, Begium, 2000, 619-640 (terug)
10. De teksten voor de eindtermen en ontwikkelingdoelen zijn te vinden op de website van De Dienst voor Onderwijsontwikkeling. (terug)
11. Servicedocument vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen, Min. Vl. Gem., Inspectie secundair onderwijs, te vinden op 'voet'. (terug)
12. Deze ‘concluding observations’ bij de twee rapporten die ons land totnogtoe indiende over de toepassing van het kinderrechtenverdrag zijn te vinden in Add.38 en in Add.178. (terug)
13. Officieuze vertaling van de tekst, zoals ingediend voor Deel 2 van de Kinderrechtengids. (terug)
14. De adviezen van het Kinderrechtencommissariaat zijn terug te vinden via hun website. (terug)
15. Decreet houdende de leerlingenraden in het secundair onderwijs. (B.S. 11-05-1999) (terug)
16. Leerlingenparticipatie in het secundair onderwijs, tussen theorie en praktijk. Eindrapport. Saskia De Groof e.a. (2001) (terug)
17. Voor het voltijds secundair onderwijs gaat het hier over het ‘Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’. (B.S. 17/05/1991) (terug)
18. Recommendation Rec (2002)12 of the Committee of Ministers to member states on education for democratic citizenship (zie hier of via deze link). (terug)
19. Zie hiervoor de ‘Summary of national initiatives undertaken within the Decade for Human Rights Education (1995-2004)’ op en het ‘Report of the United Nations High Commissioner for Human Rights on the mid-term global evaluation of the progress made towards the achievement of the objectives of the United Nations Decade for Human Rights Education (1995-2004)’ (te vinden via OHCHR). (terug)
20. Zie www.vormen.org. (terug)
21. De eerste Week van de Diversiteit (10 tot 14 februari 2003) wordt georganiseerd door de Vlaamse ministers van Onderwijs en Vorming, Gelijke kansen, Welzijn, Cultuur en Jeugd. Uit de tekst van de website: “Samen maken we komaf met de hele last op de schouders van vele kinderen, jongeren én volwassenen die niet aanvaard worden omdat ze een andere seksuele geaardheid of een handicap hebben, van een andere etniciteit of een ander geslacht zijn.” Klassen, scholen, verenigingen of organisaties worden gestimuleerd om op een creatieve manier aan de week vorm te geven. (terug)