| Niveau |
2
|
| Doelstellingen |
- Algemene inhoud kennen van economische en sociale rechten (verschillende themas die aan bod komen, belangrijkste rechten)
- Kritisch nadenken over de waarde/het belang van bepaalde rechten en een mening kunnen staven met argumenten.
- Weten wat de plichten zijn van staten in de realisatie van economische en sociale rechten.
- In eigen woorden kunnen uitleggen hoe de naleving van economische en sociale rechten kan nagestreefd worden.
|
| Onderwerpen en rechten |
Korte kennismaking met de verschillende themas binnen de economische en sociale rechten:
- Recht op onderwijs
- Recht op bescherming (vooral kinderen en zwangere vrouwen)
- Recht op gezondheid
- Recht op werk, goede werkomstandigheden en -condities
- Recht op een behoorlijke levensstandaard: recht op voedsel, recht op huisvesting
|
| Tijdsduur/timing |
2 uur
|
| Materiaal |
- Grote bladen die kunnen dienen als landkaart (minstens 1 m2). Elk groepje heeft zo een blad nodig. Het aantal bladen is dus afhankelijk van het aantal groepjes.
- Schrijfgerei (best stiften in verschillende kleuren)
- Plakband of lijm
- Lijstje met verschillende landschapsvormen
|
| Groepsgrootte |
15 25 deelnemers
5 personen per groep
Opmerking: als het totaal aantal deelnemers niet opgedeeld kan worden in groepen van 5 personen, kunnen ook meer dan 5 personen in een groep geplaatst worden. Laat dan in fase 5 van het spel 2 deelnemers met elkaar samenwerken.
|
| Korte omschrijving |
De deelnemers ontwerpen een land waar het goed is om te leven. Ze beslissen in het ontwerp: hoe het landschap eruit ziet, waar de mensen leven in het land, welke grondstoffen er zijn, welke producten ze ervan willen maken, hoe de handel er in het land zal uitzien, welke wetten er in het land gelden en hoe het politieke beleid eruit zal zien.
|
| Voorbereiding
|
- Kopieer de bijlagen voor elke groep, eventueel op dikker papier.
- Knip de kaartjes uit voor elke groep.
- Zet voor elke groep een tafel klaar met het nodige materiaal: groot blad papier, tekenmateriaal, bijlagen,...
|
EERSTE FASE: LAND
- De deelnemers tekenen eerst de omtrek van het land op de kaart, naar eigen fantasie.
- Vervolgens geven ze hun land een naam. De naam mag bovenaan op de kaart geschreven worden.
TWEEDE FASE: LANDSCHAP
- Eerst ontwerpen de deelnemers het landschap.
- Ze kunnen zich inspireren op een lijstje met verschillende landschapsvormen. Ze mogen natuurlijk ook andere landschapsvormen kiezen die niet in de lijst staan.
- De deelnemers mogen vrij kiezen hoe het landschap er in hun land zal uitzien.
- Er moeten wel minstens drie verschillende landschapsvormen aanwezig zijn (bvb. bergen, riviervallei en kustgebied). Ook moet rekening gehouden worden met het eventuele nut van bepaalde landschaps-vormen voor de economie, landbouw,...
DERDE FASE: BEVOLKINGSVERSPREIDING
- Elke groep duidt de bevolkingsverspreiding aan op de kaart.
- Ze tekenen 5 mannetjes in het meest dichtbevolkte gebied, 3 mannetjes in een gewoon bevolkt gebied en 1 mannetje in een dun bevolkt gebied. Waar is het dus het beste om te leven in het land?
VIERDE FASE: GRONDSTOFFEN EN TEELTEN
De deelnemers bepalen per groep welke grondstoffen er in hun land aanwezig zijn en duiden die aan (bvb. door ze te tekenen op de kaart). Ook hier krijgen ze als inspiratiebron een lijstje met grondstoffen. Ook hier mogen er andere grondstoffen aangebracht worden dan die in de lijst. De groepen kiezen 5 verschillende grondstoffen. Uiteraard moet er bij de keuze van de grondstoffen ook rekening gehouden worden met de landschapsvormen. Als er bvb. gekozen wordt voor de grondstof hout, moeten er uiteraard bossen aanwezig zijn in het land.
Vervolgens denken ze na over de producten die ze van de grondstoffen kunnen maken, welke producten verhandeld (uitgevoerd) zullen worden (maximum 5 verschillende producten) en welke producten ingevoerd moeten worden (maximum 5 verschillende producten), welke gewassen er geteeld worden (maximum 5 verschillende gewassen). Het is de bedoeling dat de deelnemers hier dingen zoeken die levensnoodzakelijk zijn, waar het volk in het land van kan leven.
Dit alles wordt aan de zijkant van de landkaart geschreven, als daar niet voldoende plaats is, mag het op een apart blad geschreven worden.
VIJFDE FASE: RECHTEN OF WETTEN
Deelnemers krijgen 22 kaartjes met daarop verschillende principes of wetten (bijlage 3).
Ze kiezen 10 kaartjes met de principes die zij belangrijk vinden voor hun land en plakken deze kaartjes onderaan op de kaart.
ZESDE FASE: HET BELEID
In deze fase wordt het beleid van het land ingevuld. Elk groepslid wordt minister en krijgt een kaartje waarop vermeld staat welke bevoegdheid hij of zij krijgt (bijlage 4). De 5 bevoegdheden zijn: minister van arbeid, minister van bescherming van kwetsbare personen, minister van gezondheid, minister van basisbehoeften, minister van onderwijs.
Elk groepslid krijgt 10 minuten de tijd om zijn of haar beleid uit te stippelen waarin ze de volgende vragen beantwoorden:
- Wat valt er allemaal onder je bevoegdheid? Welke principes die je net gekozen hebt, moet je realiseren?
- Welke aspecten van je bevoegdheid komen vooral aan bod? Waar leg je de nadruk op?
- Aan welke bevolkingsgroepen in het land schenk je de meeste aandacht?
(vertel de deelnemers dat ze hierbij moeten denken aan de problemen die ze kennen, die ze (in eigen land of in andere landen) al gezien hebben, en hoe zij deze problemen als minister zouden kunnen vermijden of oplossen.)
NABESPREKING EN VERWERKING
Elke groep stelt zijn land voor en geeft hierbij de nodige uitleg over:
- het landschap (en het voordeel en/of nadeel ervan)
- de economie/landbouw
- de bevolkingsverspreiding
- de principes/wetten die worden gehanteerd
- het beleid van elke minister
De begeleider vraagt hierbij telkens naar de redenen van de keuzes die gemaakt werden. Elke groep legt met andere woorden uit waarom het leven volgens hen goed/niet goed zal zijn in hun land.
In de nabespreking wordt de nadruk gelegd op de keuze van de basisprincipes. (Waarom belangrijk? Waarom daarvoor niet gekozen?)
Ook de beleidsplannen van de minister worden onder de loep genomen:
- Welke prioriteiten hebben zij gesteld?
- Waarom?
- Aan welke bevolkingsgroepen hebben zijn bijzonder aandacht besteed?
- Zijn er belangrijke dingen die over het hoofd gezien werden?
- Welke aspecten zijn nog belangrijk in het beleid?
Link met economische en sociale rechten
Opdracht voor elke groep afzonderlijk:
- Elke groep krijgt vervolgens een reeks losse kaartjes met op elk kaartje één van de economische en sociale rechten (bijlage 5).
- De groepen gaan na of de basisprincipes die zij gekozen hebben overeenkomen met de economische en sociale rechten. Ze leggen bij elk basisprincipe dat ze gekozen hebben het kaartje met het overeenkomstige recht.
- Vervolgens wordt nagegaan of alle rechten aan bod gekomen zijn in hun keuze van basisprincipes.
- Hiervoor krijgt elke groep 15 minuten de tijd.
Groepsgesprek (alle groepen samen)
- De begeleider gaat nu bij elke groep na of er basisprincipes zijn die ze niet zo belangrijk meer vinden en die ze zouden willen vervangen door economische of sociale rechten.
- De deelnemers verantwoorden ook waarom of waarom niet.
- De groepjes mogen ook nog economische en sociale rechten aan de lijst toevoegen.
- In de discussie moet er vooral gesproken worden over het belang van (bepaalde) economische en sociale rechten in het ontworpen land. Wat zou er gebeuren als bepaalde rechten niet gerespecteerd werden: deelnemers zoeken naar concrete voorbeelden.
Economische en sociale rechten in realistische landen
Ten slotte gaat de begeleider na of de deelnemers weten in welke landen economische en sociale rechten gerespecteerd worden en in welke niet:
- In welk(e) land(en) worden de economische en sociale rechten het meest gerespecteerd?
- In welke landen het minst?
- Hoe uit zich dat? Wat zijn de belangrijkste redenen hiervoor?
- Wat moet er veranderd worden? Hoe moet dat?
|