Startpagina VORMEN vzw | Startpagina RECHT-vaardig | Vorige | Volgende | Overzicht workshops | Inhoudstafel

RECHT-vaardig, menswaardig: Multinationale ondernemingen en economische en sociale rechten (arbeidsrechten)


Economisch
Politiek
Kledingindustrie
Gedragscodes
Bedrijfscodes

Nigeria als olieproducent: achtergrond
Korte schets van Nigeria en haar olie-industrie
Olie-industrie vooral in de Niger-delta
Politieke achtergrond van Nigeria
De Nigeriaanse corruptie

Links
Werkvormen

Economisch

Sinds de jaren ’70 is de wereldeconomie zich grondig aan het herstructureren. Enerzijds werden nieuwe technologieën en geautomatiseerde methoden ingevoerd; anderzijds werd ook heel wat arbeidsintensieve productie overgebracht naar lagelonenlanden. Naast massaproductie aan lage prijzen, proberen bedrijven d.m.v. onderaannemingen en informalisering te beantwoorden aan de flexibiliteit die een voortdurend veranderende markt vereist. Door de onderhandelingsrondes in de GATT en vanaf 1995 in de Wereldhandelsorganisatie worden de handelsbelemmeringen stelselmatig afgebouwd. De meest cruciale fase in het productieproces is uiteindelijk niet langer het maken van het product zelf maar de marketing.

Politiek

Er is niet zozeer een tekort aan internationaal erkende arbeidsnormen. Dat is het werk van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO). Die internationale normen moeten normaal gezien overgenomen worden in de nationale wetgeving. In de realiteit zien we ook dat de meeste landen een goede arbeidswetgeving hebben. Het probleem is vooral de toepassing ervan. Die gebrekkige toepassing is deels te wijten aan de regeringen zelf maar een andere, belangrijke reden is dat de structuur en macht van multinationale ondernemingen (MNO’s) de nationale wetgeving overstijgen en hun productie- en handelspraktijken ontsnappen aan het bereik van nationale wetten. Bovendien is er een gebrek aan een afdwingbaar mondiaal regulerend kader. Er zijn weliswaar inspanningen gedaan op intergouvernementeel niveau (bvb. De VN-gedragscode, de OESO-richtlijnen) maar een verplichte en afdwingbare regelgeving die de praktijken van MNO’s aan banden legt, bestaat nog steeds niet.

Het doorgedreven systeem van onderaannemingen laat MNO’s toe om afstand te doen van hun verantwoordelijkheid t.a.v. werknemers. En dit terwijl de arbeidsvoorwaarden aan het uiteinde van de productieketen in de formele maar vooral in de informele sector slechter worden en het voor werknemers uitermate moeilijk is om zich te organiseren of op te komen voor hun rechten. En zelfs in situaties waar een vakbond opgericht werd en men er in slaagt om druk uit te oefenen, is de plaatselijke directie vaak niet in een positie om aan de eisen te voldoen omdat haar macht t.a.v. de MNO te beperkt is. Recentelijk pogen internationale vakbondsfederaties in antwoord hierop met transnationale onder-nemingen kaderakkoorden (‘framework agreements’) te sluiten. Het opzet is een duurzame relatie tot stand te brengen tussen het bedrijf en de internationale vakbondsorganisatie. Het spreekt voor zich dat vakbonden in het proces dat volgt op zo’n akkoord, moeten kunnen bewijzen dat ze representatief zijn, zowel plaatselijk als internationaal. De voorbije decennia hebben consumenten uit het Noorden hun bezorgdheid getoond voor sociale en milieuomstandigheden waarin producten die zij kopen, gemaakt worden. Er werden nieuwe strategieën ontwikkeld en nieuwe allianties aangegaan. Alternatieve handelsorganisaties, bijvoorbeeld, drijven volgens specifieke criteria rechtstreeks handel met derdewereldproducenten. Sociale keurmerken voor koffie, bananen, tapijten ... hebben een deel van de markt veroverd. Een waaier aan organisaties hebben in diverse landen initiatieven genomen en actie gevoerd omtrent ethische en duurzame consumptie.

top

Kledingindustrie

De kleding- en sportschoenenindustrie is een schoolvoorbeeld wat mondialisering betreft. Om de toenemende concurrentie uit de lagelonenlanden tegen te gaan, werd in 1974 het Multivezelakkoord gesloten. Hierdoor werd kleding uit lagelonenlanden onderworpen aan vaste invoerquota en zeer hoge invoertarieven. Dit akkoord bleef geldig tot 1994. Tijdens de Urugay-onderhandelingsronde kwam in 1995 in het kader van de WTO een nieuw akkoord tot stand. Dit houdt in dat over een periode van 10 jaar de quota op invoer geleidelijk aan worden afgebouwd en de importtarieven lager worden. Vooral de laatste vijftien jaar kende de internationale kledinghandel een enorme expansie met een verdrievoudiging in waarde van de kledingexport tussen 1980 en 1992 en de opkomst van Azië als belangrijkste kledingproducent. Momenteel zijn het de kledingketens (C&A, Marks & Spencer, H&M, ...) en de merknamen (Nike, Levi Strauss, ...) in de distributiesector die bepalen waar en tegen welke prijs kleding gemaakt wordt. Dikwijls hebben ze geen eigen productie maar via wereldwijde, complexe netwerken van onderaanneming komen hun collecties tot stand. Trouwens, niet alleen de productie is internationaal georganiseerd, ook de verkoop. Veel van de kledingketens hebben winkels over heel de wereld. De toegenomen concurrentie tussen bedrijven uit zeer sterk verschillende landen in Noord en Zuid heeft in geen geval een gunstig effect gehad op de arbeidsomstandigheden. In sommige derdewereldlanden (Bangladesh, India, Sri Lanka) zijn de lonen in de kledingindustrie de laatste 10 jaar zelfs gedaald. Werkweken van 70 uur zijn geen uitzondering en inbreuken tegen vakbondsvrijheid zijn frequent. Ook kinder- en dwangarbeid komen in de kledingindustrie voor. Daarnaast resulteert de globalisering ook in een verschuiving van tewerkstelling van het formele circuit naar niet gereglementeerd thuiswerk en productie in illegale ateliers. Alhoewel licht gedaald, blijft het aandeel van vrouwelijke werknemers in de kledingindustrie zeer groot: 75% van de arbeidskrachten. Dat aandeel is nog hoger in landen waar arbeidsintensieve productie geconcentreerd wordt in vrijhandelszones. Vrouwen worden niet alleen gediscrimineerd omdat ze het grootste aandeel vormen van de arbeidskrachten in een sector met de laagste lonen, langste werkdagen, met weinig perspectief op promotie of opleiding, in een precair statuut, ze worden ook nog gediscrimineerd t.o.v. mannen wat betreft hun loon, de toegang tot bepaalde functies en omdat ze vaak het slachtoffer zijn van seksueel geweld. In de informele sector ziet de situatie er niet beter uit. Thuisarbeid als oplossing voor vrouwen die huishoudtaken willen combineren met betaalde arbeid, heeft veel nadelen: thuiswerk wordt meestal minder betaald dan fabriekswerk; op piekmomenten moeten lange uren gewerkt worden; veelal is er geen geschreven contract; er is geen sociale bescherming of controle op veiligheid en gezondheid... Thuisarbeidsters hebben overigens dikwijls geen keuze: ze moeten thuiswerk aanvaarden omdat er geen andere werkgelegenheid is.

top

Gedragscodes

Zoals eerder gezegd, er is niet zozeer een gebrek aan internationaal erkende arbeidsnormen. Het probleem is veeleer de toepassing ervan en de afdwing-baarheid. Dit heeft ertoe geleid dat vakbonden, derdewereldorganisaties, consumentenverenigingen,... zich rechtstreeks tot de bedrijven en bedrijfsfederaties richten met gedragscodes. Ze hanteren de principes en normen van de ILO (International Labour Organisation) en proberen op verschillende manieren bedrijven zo ver te krijgen dat ze die aanvaarden en naleven.

Bedrijfscodes

De kleding- en sportschoenenindustrie speelt een voortrekkersrol in het debat over sociaal verantwoord produceren. De imagogevoeligheid van die sector en de consumentenacties die daarop inhaken, zijn daar ongetwijfeld niet vreemd aan.
Bedrijven reageerden op de aandacht voor slechte arbeidsomstandigheden en schendingen van arbeidsrechten met eigen gedragscodes waarin de belangrijkste normen ontbreken: recht op organisatie en collectief onder-handelen, recht op een leefbaar loon. Op een aantal punten voldoen de gedragscodes van veel bedrijven niet.
Ten eerste, enkele codes zijn te beperkt van inhoud. Ze gaan, bijvoorbeeld, alleen over kinderarbeid. De Schone Kleren Campagne pleit voor een gedragscode gebaseerd op de internationaal erkende arbeidsnormen van de ILO (Internationale Arbeids-organisatie): verbod op kinderarbeid, verbod op dwangarbeid, verbod op discriminatie, vrijheid van organisatie, recht op collectieve onderhandelingen, maximum aantal werkuren, leefbare lonen, veilige en gezonde werkomstandig-heden.
Ten tweede, de tekst van een aantal bedrijfscodes is vaag geformuleerd. Daardoor is het zeer moeilijk om aan te tonen dat een bedrijf zich niet aan de code houdt.
Het is, ten derde, ook niet altijd voldoende duidelijk hoe ver de verantwoordelijkheid van het bedrijf strekt. Slaat de inhoud van de code, bijvoorbeeld, ook op de arbeidsters van een onder-aannemer of op thuiswerksters? Een goede code moet van toepassing zijn op alle werknemers die producten maken voor een bedrijf, ongeacht waar ze wonen of welke status ze hebben.
Ten slotte, een gedragscode is geen PR-instrument. De inhoud van de gedragscode moet gekoppeld worden aan een beleid en concrete maatregelen. En zolang bedrijven een onafhankelijke controle weigeren, blijft het zeer moeilijk om een goed oordeel te vormen over wat de bedrijven werkelijk doen. De uitzonderingen niet te na gesproken, laten bedrijfscodes dezelfde tekortkoming zien als de arbeidswetgeving, namelijk een gebrekkige implementatie. Als het duidelijk zichtbare gezondheids- en veiligheidsvoorzieningen betreft, kan er hier en daar sprake zijn van een verbetering, maar dit gaat niet veel verder dan het eerste niveau van onderaannemers. Soms worden codes zelfs gebruikt met een negatief gevolg, bijvoorbeeld om de nationale wetgeving te ondermijnen of vakbonden te verhinderen dat ze werknemers organiseren. Desondanks vormen bedrijfscodes een geschikt campagne-instrument. Ze stellen MNO’s opnieuw verantwoordelijk voor hun werknemers waar ze ook werken of wie de werkgever is. Op die manier kunnen grote distributeurs en merken aangeklaagd worden, niet alleen omdat ze hun eigen beleidslijnen niet naleven maar ook omdat ze internationaal erkende normen schenden. Stilaan is het debat verschoven van de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven naar de afdwingbaarheid.

top

Nigeria als olieproducent: achtergrond

Korte schets van Nigeria en haar olie-industrie

Nigeria is het rijkste land van Afrika als het gaat over natuurlijke rijkdommen maar één van de armste als we naar de levensstandaard kijken. Sinds 1974, 14 jaar na de onafhankelijkheid, werd olie als exportproduct het belangrijkste inkomen voor de Nigeriaanse staat. Vandaag maakt olie 95% uit van de Nigeriaanse export en is Nigeria de grootste olieproducent in de wereld. Door de voortdurende dalingen van de olieprijzen is de buitenlandse schuld van Nigeria de afgelopen 10 jaar echter gigantisch gestegen met een enorme inflatie als gevolg. Het BNP is bijgevolg vergelijkbaar met of zelfs lager dan dat in de jaren ’60 toen de olieontginning pas begonnen was...
De olie-industrie in Nigeria heeft zich uitgebreid ten koste van andere productiesectoren zoals landbouw en handenarbeid Het gevolg hiervan is een onevenwichtige verdeling van de welvaart, zowel tussen de verschillende bevolkingsgebieden als tussen de verschillende sociale groepen. Dit is dan ook een ideale voedingsbodem voor etnische conflicten in het land.

Olie-industrie vooral in de Niger-delta

De Niger-delta in het zuidoosten van het land is een enorm groot vochtig gebied met een zeer grote biodiversiteit. Dit is ook het gebied waar de meeste oliereserves gevonden werden. De Niger-delta wordt vooral bewoond door de Ogoni en telt ongeveer een half miljoen inwoners. De Ogoni zijn vooral landbouwers, vissers en handelaars in landbouwproducten en zijn bijgevolg volledig afhankelijk van rivieren en goede landbouwgrond.
Bijna eenderde van de olie uit de Niger-delta wordt direct naar de V.S. verscheept, de rest vooral naar Europa. Voor Nigeria zelf blijft er maar een zeer kleine hoeveelheid over. Het is maar een heel kleine minderheid van de Nigeriaanse bevolking die zelf voordelen ondervindt van de olieontginning en –productie in Nigeria. Het grootste deel van de bevolking in de Niger-delta wordt geconfronteerd met niets dan nadelen... Meer nog, de Niger-delta is zelfs één van de armste streken in Nigeria. Bovendien is de kloof tussen de arme meerderheid en de rijke elite enorm groot in de gebieden waar ’s nachts de hemel verlicht wordt door de gasvlammen. En dit is dan nog maar het topje van de ijsberg...
Ondanks het feit dat oliemaatschappijen beweren dat ze alle milieustandaarden nauwgezet opvolgen, is het onbetwistbaar dat ze een enorme impact hebben op het milieu, de landbouw en de visserij in de hele Niger-delta. De meeste gemeenschappen hebben amper compensaties gezien voor hun land dat ze hebben moeten afgeven aan de oliemaatschappijen of stukken land dat door olie bevuild werd of door de zure regen onbruikbaar geworden is. Protest tegen deze milieuproblemen met alle sociale en economische gevolgen en het verlies van landrechten werd gewelddadig onderdrukt door de Nigeriaanse regering in samenwerking met de oliemaatschappijen.
De belangrijkste oliemaatschappij in de streek is Shell. Andere maatschappijen die zichtbaar aanwezig zijn in de streek zijn Mobil en Chevron, het Italiaanse bedrijf Agip, het Franse Elf en Texaco. Al deze bedrijven hebben een handelsovereenkomst met de Nigeriaanse regering.

top

Politieke achtergrond van Nigeria

Al van voor de onafhankelijkheid wordt de politiek in Nigeria gedomineerd door de 3 grootste etnische groepen. Kleinere gemeenschappen en etnische groepen worden totaal uitgesloten van politieke participatie en kunnen amper genieten van de economische en sociale voordelen die de dominante bevolkingsgroepen wel kennen.
De staat Nigeria ontstond in 1914, toen 2 Britse koloniale protectoraten samengevoegd werden tot één territoriale eenheid. Dit feit bracht honderden verschillende etnische en politieke groepen willekeurig bij elkaar. Het land verwierf haar onafhankelijkheid in 1960. In 1966 vond de eerste militaire staatsgreep plaats hetgeen gepaard ging met bloedige stammentwisten en uitmondde in de Biafra-oorlog die 3 jaar duurde en waarin ongeveer 2 miljoen burgerslachtoffers vielen. Vanaf toen werd Nigeria geregeerd onder een militaire dictatuur. Tijdens deze militaire dictaturen werd de Nigeriaanse grondwet permanent buiten werking gesteld. Het waren immers de militaire decreten die ‘de orde moesten handhaven’. Het meest onderdrukkende regime was dat van Generaal Sani Abacha (1993-1998). Tijdens deze periode werden alle politieke activiteiten verboden, alle staatsorganen ontbonden en alle mensenrechtenactivisten opgepakt en velen zelfs vermoord, waaronder de Ogoni-leider Ken Saro-Wiwa. Tijdens deze periode belandden ongeveer 7.000 politieke gevangenen in de cel en is Generaal Abacha naar schatting 1 miljard dollar aan olie-inkomsten rijker geworden.
Generaal Abdusalami Abubakar regeerde voor een korte periode en liet verkiezingen toe om zijn ambt verder te zetten. Ondanks het feit dat er een grote verkiezingsfraude plaatsvond, was de internationale druk voor een democratisch regime zo groot dat buitenlandse controleurs de verkiezingsresultaten controleerden. Op 29 mei 1999 werd Generaal Olusegun Obasanjo de eerste verkozen burgerpresident sinds 1966. In april 2003 werd hij opnieuw verkozen.

top

De Nigeriaanse corruptie

De toename van de olie-inkomsten in de jaren ’70 ging gepaard met de steeds groter wordende geldhonger van militairen en politici. In die periode zou ongeveerd 5 miljard aan overheidsgelden ‘ontvreemd’ zijn. De corruptie drukte haar stempel op de gehele Nigeriaanse samenleving. De militaire leiders bouwden een verfijnd maffia-netwerk uit waardoor ze hun macht over het Zuiden van Nigeria konden versterken en tegelijkertijd de staatskas konden plunderen. Een van deze inkomstenbronnen voor militairen was de illegale doorvoer van gesubsidieerde benzine, waarvoor zelfs speciale bedrijven werden opgericht.


Links

top


Startpagina VORMEN vzw | Startpagina RECHT-vaardig | Vorige | Volgende | Overzicht workshops | Inhoudstafel