| Niveau |
2, 3 en 4 (verschillende delen) |
| Doelstellingen |
- Verschillende aspecten van kinderarbeid: kinderarbeid in het Noorden en Zuiden, werkomstandigheden, beeldvorming over kinderarbeid,...
- Recht op behoorlijke arbeidsomstandigheden
- Recht op bescherming van kinderen tegen economische en sociale uitbuiting
- Recht op een behoorlijke levensstandaard
- Recht op onderwijs
|
| Onderwerpen en rechten |
- Inzicht krijgen in de problematiek van kinderarbeid: situering, voedingsbodem
- Beseffen hoe schadelijk de werkomstandigheden van werkende kinderen uit de derde wereld zijn.
- Zich kunnen inleven in de werkomstandigheden van werkende kinderen.
- Herkennen van mensenrechtenschendingen bij kinderarbeid.
- Kritisch nadenken over mogelijkheden om situatie van werkende kinderen te verbeteren.
- Weten onder welke voorwaarden kinderarbeid gelegitimeerd kan worden en op welke manieren werkende kinderen beschermd kunnen worden.
- Eigen werkomstandigheden (vakantiejob, evt. vakantiejob van minderjarige broer of zus) kunnen toetsen aan de rechten m.b.t. werk en evalueren.
- Kritische houding ontwikkelen tegenover de mediaberichtgeving /campagnes.
- Kritische houding ontwikkelen tegenover westerse opvattingen over kinderarbeid.
|
| Tijdsduur/timing |
Deel 1 - Puzzel: 60 minuten (beide delen)
Deel 2 Uitlopers: 30 minuten per uitloper
|
| Materiaal |
Van de puzzel (zie bijlagen) kan je, afhankelijk van wat je wil doen, één helft of beide helften gebruiken.
Eventueel een stuk karton of dik papier om de puzzelstukken op te kleven.
|
| Groepsgrootte |
20 à 25 deelnemers, groepjes van 4
|
| Korte omschrijving |
In het eerste deel moeten de deelnemers in groepjes verschillende feiten over kinderarbeid aan elkaar puzzelen of met andere woorden verbanden zoeken tussen de verschillende tekstjes. Er zijn echter verschillende mogelijkheden om de puzzelstukjes aan elkaar te leggen. Deze verschillende interpretaties kunnen tot een interessante discussie leiden waarin allerlei onderwerpen m.b.t. kinderarbeid verder uitgediept kunnen worden. De groep die het meeste puzzelstukjes aan elkaar heeft kunnen leggen is de winnaar.
Het tweede deel bestaat uit 4 uitlopers of uitbreidingsactiviteiten. Je kan ze natuurlijk allemaal doen of op voorhand enkele selecteren afhankelijk van de doelstellingen.
|
Deel 1: De puzzel
- Als je vooraf bepaalt wat je met je activiteit wil bereiken (op basis van de doelstellingen), kan je kiezen welk deel van de puzzel je gebruikt. Je kan natuurlijk ook beide delen door elkaar gebruiken. Het eerste deel van de puzzel handelt over kinderarbeid in het Zuiden en het tweede deel handelt over kinderarbeid in westerse landen. Door de stukjes door elkaar te laten leggen, zoeken de deelnemers naar verbanden en tegenstellingen tussen kinderarbeid (of studentenjobs) bij ons en kinderarbeid in het Zuiden. Beide reeksen puzzelstukjes door elkaar gebruiken, biedt zeker en vast de meest interessante invalshoek maar maakt de puzzel dus wel wat moeilijker.
- Je kan de puzzelstukjes op dikker papier of karton kleven. Zo kan je de puzzel meermaals gebruiken. Let er dan wel op dat er niets op de stukjes geschreven wordt.
- Lees ook de informatie i.v.m kinderarbeid, zodat je zelf de basis al kent.
- Verdeel de groep in groepjes van ongeveer 3 à 4 personen.
FASE 1: PUZZELEN
- Je geeft aan elke groep de nodige puzzelstukjes om de puzzel te maken.
- De deelnemers lossen de puzzel op. Ze mogen kiezen met welk stukje ze beginnen. Ze moeten zoveel mogelijk stukjes tegen elkaar leggen.
- Stukjes mogen alleen tegen elkaar liggen als er een onderling verband gevonden kan worden. Dit kan bv. een inhoudelijk verband zijn (stukjes met een overeenkomst in de inhoud), een oorzakelijk verband (inhoud van één stukje is oorzaak van inhoud ander stukje), een tegenstellend verband (bv. stukjes over kinderarbeid in het Zuiden tegenover stukjes over kinderarbeid in het Noorden), ... Dit is natuurlijk geen volledig overzicht van alle mogelijke verbanden. In het onderdeel tips voor de begeleider vind je enkele concrete voorbeelden van verbanden tussen verschillende stukjes.
- De groep die de meeste stukjes tegen elkaar gelegd heeft, is de winnaar. Om na te gaan wie de winnaar is, worden NIET de puzzelstukjes geteld, maar het aantal zijden van de puzzelstukjes die grenzen aan een ander stukje. Als een stukje bijvoorbeeld omringd wordt door 4 andere stukjes (rechts, links, boven en onder) wordt elke zijde, 4 dus, meegeteld. Ook de zijden van de aangrenzende stukjes worden opnieuw geteld. Twee stukjes die met één zijde aan elkaar grenzen, bijvoorbeeld, leveren 2 punten op.
- Als een stukje omringd is door drie of vier andere stukjes moet echter er een verband zijn met elk van die stukjes. Hoe meer de stukjes elkaar zullen raken hoe moeilijker, maar hoe meer punten.
- De spelers hebben 30 minuten de tijd om de puzzel op te lossen als alle stukjes gebruikt worden, 15 minuten als slechts één deel van de puzzel (Noorden of Zuiden) gebruikt wordt.
FASE 2: BESPREKING VAN DE PUZZELS
Omdat het nogal tijdrovend is om elk groepje zijn puzzel volledig te laten voorstellen, gebeurt de evaluatie van de puzzel op volgende wijze:
- De begeleider kiest willekeurig een vijftal stukjes uit en leest ze voor. Na elk voorgelezen stukje vertelt elke groep welke stukjes bij hen aan het voorgelezen stukje grenzen. Ze geven uiteraard ook het verband dat zij tussen die stukjes gevonden hebben. De andere groepen mogen altijd in discussie treden als ze niet akkoord zijn met het verband. De begeleider beslist echter of het verband juist of duidelijk genoeg is. Als het verband tussen de stukjes niet duidelijk of onjuist is, wordt het voorgelezen stukje uit de puzzel verwijderd en telt het niet mee bij de puntentelling.
- Er wordt vervolgens gekeken welke groep de winnaar is. Dit gebeurt door bij elk puzzelstukje de zijden te tellen die grenzen aan een ander puzzelstukje. Om de telling op een eerlijke manier te laten verlopen, gaat uit elke groep een deelnemer naar de groep die rechts van hem zit en telt in deze groep de zijden van de puzzelstukjes die aan andere stukjes grenzen.
Voorbeeld van een stukje opgeloste puzzel met mogelijke verbanden tussen de puzzelstukjes. Beide delen van de puzzel werden hier door elkaar gebruikt.
|
|
Keshav, een jongen van 6 uit India, werd door zijn vader van school gehaald. Zijn vader had te weinig geld om de kosten te betalen. Keshav werd door zijn vader aan een landheer verkocht. Naar school gaan zat er vanaf toen helemaal niet meer in. |
In België krijgen ouders geld van de overheid voor de opvoeding van hun kind. Als de ouders geen inkomen hebben, zijn er uitkeringen. Deze worden aangepast aan de gezinssamenstelling
|
| In Pakistan zijn in de tapijtindustrie fijne kinderhanden noodzakelijk voor goedkope kwaliteitsproducten |
Werkgevers nemen liever kinderen aan omdat deze goedkoper zijn dan volwassenen. Ze durven ook veel minder snel eisen stellen.
|
Ouders laten hun kinderen werken uit noodzaak. Ze moeten meehelpen het gezin te onderhouden. Als ze dat niet doen is er nog meer armoede. |
Veel westerse landen hebben een leerplicht. Lager onderwijs is in België gratis. Er worden ook studie-beurzen gegeven aan mensen die het nodig hebben om het middelbaar en het hoger onderwijs te financieren. Onderwijs wordt zo toegankelijker.
|
|
Ferabat is gekend voor zijn glasproductie. Verschillende kinderen tussen de 10 en 13 jaar werken daar dan ook in de glasproductie. Ze lopen zonder enige bescherming tussen die ovens die rond de 1500°C zijn. Velen hebben brandplekken over hun hele lichaam.
|
|
Verband tussen:
- Centraal stuk (Werkgevers nemen...) en stuk eronder: kinderen stellen minder eisen, ze doen gevaarlijke en ongezonde dingen die volwassenen niet zouden pikken
- Centraal stuk en stukje links ervan (In Pakistan zijn...): gemeenschappelijke inhoud, kinderen noodzakelijk omdat ze goedkoper zijn.
- Centraal stuk en stukje rechts ervan (Ouders laten ....): Kinderarbeid wordt aangemoedigd door iedereen, ouders willen dat kinderen gaan werken en werkgevers willen graag kinderen aannemen. Kinderen ontsnappen er moeilijk aan...
- Het laatste stukje (Ouders laten...) en stukje erboven (Keshnav, een jongen van 6...): Inhoudelijk verband, ouders sturen kinderen werken uit financiële noodzaak. Verband met stukje rechts ervan (Veel westerse landen...): tegenstellingen, ouders in het Zuiden moeten hun kinderen vaak laten werken omdat ze geen uitkeringen, studiebeurzen,... krijgen. Onderwijs is bovendien niet verplicht, in tegenstelling tot Noorden.
- Stukje erboven (Keshnav...) en stukje rechts ervan (In België...): De situatie in België vergeleken: Kinderen moeten niet gaan werken uit financiële noodzaak, ouders krijgen geld van overheid voor opvoeding van het kind.
- Stukje (In België...) en stukje eronder (Veel westerse landen...): inhoudelijk verband, hebben allebei te maken met het sociale zekerheidssysteem in ons land: uitkeringen voor wie het nodig heeft.
Dit is enkel een voorbeeld van de manier waarop de stukjes tegen elkaar gelegd kunnen worden en er verbanden gegeven kunnen worden tussen de verschillende stukjes.
FASE 3: NABESPREKING
Kinderarbeid algemeen
- Welke vormen van kinderarbeid ken je? Welke jobs worden vaak door kinderen uitgeoefend?
- In welke omstandigheden moeten kinderen vaak werken?
- Waar denk je dat kinderarbeid vooral voorkomt? Waarom daar?
- Waarom werven werkgevers graag kinderen aan?
- Waarom gaan er zoveel kinderen werken?
- Komt kinderarbeid in het Westen ook voor?
- Vind je dat kinderarbeid afgeschaft moet worden? Verboden moet worden? In het Noorden? In het Zuiden? Waarom wel, waarom niet?
- Welke economische en sociale rechten worden er vaak geschonden bij kinderarbeid (laat de deelnemers eventueel gebruik maken van een samenvatting van de economische en sociale rechten)
Beeldvorming over kinderarbeid:
- Heb je na deze activiteit een ander beeld gekregen van kinderarbeid? Heb je iets bijgeleerd over kinderarbeid.
- Kan je werkende kinderen in het Noorden (kinderen die hun ouders helpen, die een centje bijverdienen) onder de noemer kinderarbeid plaatsen?
- Wat betekent de term kinderarbeid voor jou?
- Wat betekent werk voor kinderen in het Zuiden, volgens jou?
- Zijn er grote verschillen tussen kinderarbeid in het Westen en in het Zuiden?
- Zijn er verschillen in de opvattingen over kinderarbeid in het Noorden en in het Zuiden? Wat vindt men over het algemeen in het Noorden van kinderarbeid? En in het Zuiden?
Deel 2: Uitlopers
In de uitlopers worden verschillende themas met betrekking tot kinderarbeid behandeld. Je kan op voorhand één of meerdere themas uitkiezen of als je over voldoende tijd beschikt, alle themas behandelen.
UITLOPER 1: MENSENRECHTENSCHENDINGEN (Niveau 2)
Deze activiteit kan je doen in dezelfde kleine groepjes als in Deel 1. Bedoeling is dat je vertrekt van de verschillende puzzels die in de groepjes gemaakt zijn.
Deze activiteit kan je alleen doen als je de volledige puzzel of het deel over kinderarbeid in het Zuiden hebt gemaakt.
- In de puzzel zitten zeker stukjes waar mensenrechten in geschonden worden. De deelnemers moeten in hun groepje op zoek gaan naar deze schendingen Als het nodig is kunnen de deelnemers hier gebruik maken van de verkorte versie van de economische en sociale rechten (achteraan in het pakket).
- Na het zoeken van de schendingen gaan de deelnemers op zoek naar mogelijke oplossingen.
- Ze beantwoorden hierbij de volgende vraag: Wat kan men doen om deze schendingen te voorkomen of ervoor te zorgen dat de toestand verbetert?
- Als elk groepje klaar is, kan het (een deel) van zijn schendingen en oplossingen naar voor brengen en vergelijken met de oplossingen die ander groepjes voorstellen. De deelnemers kunnen ook nagaan hoe haalbaar de oplossingen zijn.
UITLOPER 2: KINDERARBEID KAN DAT? (Niveau 3)
Deze activiteit gaat dieper in op de werkomstandigheden en de werkcondities als voorwaarden om kinderarbeid aanvaardbaar te maken. Kleine groepjes zijn ideaal, al is een grote groep hier ook zeker een mogelijkheid.
- Eerst denken de deelnemers na over voorwaarden waaronder ze hier zouden willen werken als kind (of als minderjarige). Hierbij kunnen ze vertrekken vanuit eigen werkervaringen als jobstudent (of ervaringen van oudere broer of zus).
- Vervolgens gaan de deelnemers na of ze, als ze in een ontwikkelingsland zouden wonen, onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden zouden werken.
- Op basis van deze gevonden regels, stelt elke groep een lijstje samen met regels voor werkende kinderen.
- De deelnemers krijgen nu een blad met een overzicht van de economische en sociale rechten.
- Vervolgens gaat elke groep na of de regels die ze genoteerd hebben overeenkomen met de economische en sociale rechten. Economische en sociale rechten die ze wel belangrijk vinden maar die niet in hun lijstje met regels voorkomen, mogen aan de lijst toegevoegd worden.
- Elke groep brengt zijn regels voor de groep. Er wordt overlegd welke regels het belangrijkste zijn. De 5 belangrijkste regels worden op bord of op een flipchart aangebracht.
- Vervolgens wordt in een groepsgesprek nagedacht over de toepassingen van deze regels bij kinderarbeid in het Zuiden:
- Heb je al dingen gehoord of gezien over kinderarbeid in het Zuiden?
- Welk regels werden er geschonden?
- Wat moet er veranderen opdat deze nieuwe regels toegepast worden?
- Vind je dat kinderarbeid volgens de regels die jullie hebben opgesteld, moet kunnen? Of moet kinderarbeid volledig afgeschaft/verboden worden.
- Wat moet er veranderen vooraleer kinderarbeid uit de wereld verbannen kan worden?
UITLOPER 3: HET BEELD VAN KINDERARBEID (Niveau 4)
In deze activiteit staat een kritische kijk centraal op het negatieve beeld van kinderarbeid dat ons vaak door de media wordt voorgeschoteld. Bedoeling is dat de jongeren niet zomaar de mening van media, politici,
overnemen maar kinderarbeid ook vanuit een ander perspectief leren zien. Enkele voorbeelden van vragen om tot een gesprek te komen over beeldvorming van kinderarbeid:
- Wat is het beeld dat we in het Westen van een kind hebben?
- Hebben ze in het Zuiden hetzelfde beeld over kinderen dan dat wij hebben?
- Welke beelden hebben jullie over kinderarbeid? Waar hebben jullie al beelden van kinderarbeid gezien? Waar heb je erover gelezen? (verwijzen naar de film Daens, naar bv. beelden uit de Schone-Kleren-campagne, kinderen in sweatshops, kinderen op plantages ...)
- Wat voor beelden waren dat meestal? Hoe werd kinderarbeid in die beelden voorgesteld?
- Hoe komt het dat we dat we vaak zon medelijden hebben met kinderen die de hele dag moeten werken? Wat heeft dit te maken met onze opvattingen over kind zijn, kindertijd, ...
Geef elk groepje vervolgens een exemplaar van de Verklaring van Kundapur (bijlage 3). Vertel er echter niet bij wat dit is, waar en door wie deze verklaring is opgesteld.
Iemand uit elk groepje leest de verklaring voor aan de rest. Elke groep denkt na over de volgende vragen en iemand noteert de antwoorden:
- Door wie is deze verklaring opgesteld, denk je?
- Met welk doel?
- Welke mensenrechten worden allemaal afgedwongen in deze verklaring? (ook hier kan je de groepjes gebruik laten maken van een overzicht van de economische en sociale rechten, en/of van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (vereenvoudigde versie).
Vervolgens worden deze vragen met de hele groep besproken. De begeleider geeft een woordje uitleg over de verklaring van Kundapur. (De verklaring van Kundapur is opgemaakt door werkende kinderen tijdens de Eerste Internationale Bijeenkomst van Werkende Kinderen in Kundapur (India, november- december 1996), meer uitleg volgt).
Zet het groepsgesprek verder met de volgende vragen:
- Ben je verrast dat er zo een verklaring bestaat?
- Geeft dit een ander beeld over kinderarbeid, over de werkende kinderen zelf?
- In welke mate komt het beeld dat je krijgt via deze verklaring overeen met het beeld van kinderarbeid dat we hebben via de media, via allerlei campagnes? Welke aspecten komen helemaal niet overeen met het beeld dat we hebben via de media?
- Kijk je nu anders aan tegen kinderarbeid? Waarom? Waarom niet?
|