| Startpagina VORMEN vzw | Startpagina RECHT-vaardig | Vorige | Volgende | Overzicht workshops | Inhoudstafel |
|
RECHT-vaardig, menswaardig: Globalisering en Landbouw |
| Algemeen | |
| Suiker | |
| Suikerproductie en -handel in de wereld |
|
| Het paradoxale suikerbeleid van de Europese Unie |
|
| Het WTO-landbouwakkoord: dumpen mag (nog eventjes) |
|
| Een voorbeeld: Mozambique | |
| Links | |
| Werkvormen | |
De handel in landbouwproducten kan een belangrijke rol spelen in de strijd tegen armoede. In de praktijk echter leveren de regels rond landbouwhandel veel meer voordeel op voor de rijken dan voor de armen. Rijke landen spenderen hoge bedragen aan de bescherming van hun landbouwers, terwijl ze arme landen dwingen om hun markten te openen voor gesubsidieerde importen.
96 % van alle boeren in de wereld leeft in ontwikkelingslanden. Landbouw is daar de belangrijkste bron van inkomsten voor zon 2,5 miljard mensen. Ondanks de steeds groeiende urbanisatie, leeft tweederde van de armen in de wereld in landelijke gebieden. Ongeveer drievierde van de arbeidskrachten in de minst ontwikkelde landen (MOLs) werken in de landbouw. Terwijl de vraag naar voedsel in ontwikkelingslanden steeds toeneemt, is 17 % van de bevolking reeds ondervoed.
De landbouwsector in ontwikkelingslanden is met andere woorden onontbeerlijk voor voedselzekerheid, armoedevermindering en economische groei. Daarom is het van cruciaal belang dat het internationale handelsbeleid afgestemd wordt op deze landen. Het huidige landbouwsysteem laat daarentegen onrechtvaardige handelspraktijken van westerse landen toe.
Het landbouwakkoord van de WTO (Uruguay Ronde, Agreement on Agriculture, AoA) zorgt ervoor dat landen hun gesubsidieerde landbouwoverschotten kunnen dumpen (of producten veel goedkoper verkopen dan in het land van herkomst) op de wereldmarkt. De exportsubsidies zorgen er dus voor dat het mogelijk is om de producten uit te voeren aan een prijs die lager ligt dan de binnenlandse prijs. De dumpingprijzen zijn zo laag dat de lokale boeren er niet tegen kunnen concurreren. De plaatselijk landbouwmarkten in ontwikkelingslanden worden dus ondermijnd door goedkope producten uit rijke landen. De subsidies van de Verenigde Staten op katoen bijvoorbeeld, hebben overproductie gestimuleerd zodat de wereldmarktprijs van katoen ineenstortte. Daardoor verloren landen in sub-Sahara Afrika ongeveer $ 301 miljoen aan exportwinsten in 2001 en 2002 alleen al. Het leven van miljoenen Afrikaanse katoenboeren is bedreigd.
Wat de situatie nog erger maakt en aantoont aan dat een dubbele standaard gehanteerd wordt, is dat rijke lidstaten van de WTO arme landen onder druk zetten om hun markten te openen terwijl ze hun eigen boeren beschermen en subsidiëren.
De liberalisering van landbouwmarkten heeft vooral voordelen opgeleverd voor de transnationale landbouwbedrijven die de landbouwhandel domineren en voor de rijke boeren in ontwikkelde landen. Daarnaast beperken de hoge invoertaksen van de rijke landen echter de invoermogelijkheden van ontwikkelingslanden. Het is duidelijk dat rijke landen met de voordelen van de landbouwovereenkomst (AoA) gaan lopen. De regels zijn immers afgestemd op hun specifieke situatie, zoals de mogelijkheid tot bijna onbeperkt subsidiëren van de landbouw. Veel ontwikkelingslanden hebben daarentegen te weinig geld om hun landbouw te subsidiëren en daarom wordt bescherming van de plaatselijke landbouwmarkten als beleidsinstrument gebruikt om de landbouwsector te ondersteunen en voedselzekerheid voor de bevolking te creëren. De landbouwovereenkomst heeft echter de flexibiliteit om de eigen markt te beschermen, verminderd.
De WTO-onderhandelingen over een nieuw landbouwakkoord zijn eind 2005 afgerond maar nog niet in werking. Zij zijn in een belangrijke fase aangezien de basisregels opnieuw gedefinieerd worden. In plaats van ervoor te zorgen dat de huidige overeenkomst opnieuw in evenwicht wordt gebracht, vechten de rijke landen om hun privileges te behouden. Op die manier slagen zij er totaal niet in om de specifieke noden van de ontwikkelingslanden op te merken.
Daarom stelt Oxfam voor dat de Landbouwovereenkomst een verklarende nota bevat om maatregelen te nemen, die het levensonderhoud en de voedselzekerheid van alle burgers beschermt. De overeenkomst moet aan de volgende algemene voorwaarden voldoen:
Alle vormen van landbouwdumping uitschakelen.
De speciale positie van ontwikkelingslanden erkennen door te zorgen voor een speciale behandeling van deze landen : Special and Differential Treatment.
Na de Tweede Wereldoorlog wilden de Europese beleidsmakers er voor zorgen dat hun continent niet meer door hongersnood zou geteisterd worden. Daarom moesten de Europese boeren, via allerlei ondersteuningsmechanismen, kunnen voorzien in de behoeften van de Europese bevolking. In deze context kwam in 1967 het perfide suikerbeleid tot stand als een onderdeel van het gemeenschappelijk Europees landbouwbeleid.
De praktijk van het Europees landbouwbeleid was echter veel minder rooskleurig dan de nobele doelstelling die het voor ogen had. Het suikerbeleid is misschien de beste illustratie van de dubbele standaard waarmee in de wereldhandel wordt gemeten. Rijke landen zetten arme landen aan tot vrijhandel en gebruiken hun invloed bij het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank om vrijhandel op te leggen. Maar als puntje bij paaltje komt voeren ze zelf het protectionisme hoog in het vaandel.
SUIKERPRODUCTIE EN HANDEL IN DE WERELD
Suiker kan overal ter wereld geproduceerd worden (in tegenstelling tot de tropische gewassen koffie, cacao of bananen). Er is hier sprake van rechtstreekse concurrentie tussen Noord en Zuid. Wereldwijd zijn er 121 suikerproducerende landen. In 2004 werd er ongeveer 125 miljoen ton suiker geproduceerd. De grootste producenten zijn Brazilië (bijna 21 miljoen ton) en de Europese Unie (18 miljoen ton). Hét suikercontinent is echter Azië, met grote producenten als India (17 miljoen ton), China (9 miljoen ton) en Thailand (5,5 miljoen ton). Tweederde van de totale suikerproductie is afkomstig uit ontwikkelingslanden. De meeste landen produceren suiker voor de eigen markt. Amper éénderde van de globale productie wordt verhandeld op de wereldmarkt. China bijvoorbeeld exporteert nauwelijks suiker.
Sinds 1995 is Brazilië de grootste exporteur van suiker, met een marktaandeel van ongeveer 25 procent. Het marktaandeel van de Europese Unie (jarenlang op de eerste plaats) bedraagt momenteel 14 procent. Maar voor witte suiker is de Europese Unie veruit de grootste uitvoerder, met 40% van de markt. Andere belangrijke exporterende landen zijn: Australië, Cuba, Thailand, India, Guatemala en Zuid-Afrika.
HET PARADOXALE SUIKERBELEID VAN DE EUROPESE UNIE
De productiekosten voor suiker liggen in de Europese Unie zeer hoog. De productie van één ton witte suiker kost in Europa ongeveer 673 EUR. In landen met een vergelijkbaar voordeel, zoals Brazilië en Colombia, bedraagt de kostprijs slechts 286 EUR. Toch beheerst Europa de wereldmarkt van witte suiker: in 2003 voerde Europa 5,3 miljoen ton suiker uit.
Drie beleidsinstrumenten veroorzaken deze scheeftrekking en houden ze ook in stand:
- De interventie- en exportsubsidies: Suiker is het enige afgewerkte landbouwproduct waarvoor in Europa nog een interventieprijs geldt. De Europese Unie garandeert de boeren een minimumprijs: de EU betaalt een hoge prijs waartegen ze hun bieten aan raffinaderijen kunnen verkopen. Maar ook de raffinaderijen hebben de garantie dat ze een hoge prijs voor hun suiker krijgen. Boeren en raffinaderijen betalen allebei heffingen zowat 800 miljoen EUR per jaar maar rekenen die vlotjes door aan de consument. Dit maakt suiker voor de Europese consument drie maal zo duur dan de wereldmarktprijs.
Daarnaast zijn er de exportsubsidies. De productiekosten in de Europese Unie liggen veel hoger dan de marktprijs. Als het Europese suikeroverschot geëxporteerd wordt, zouden boeren en raffinaderijen bijna steeds geconfronteerd worden met een marktprijs die hun kosten niet dekt. Als ze dus aan de marktprijs zouden verkopen, zouden ze zware verliezen lijden. De exportsubsidies zorgen ervoor dat dit niet gebeurt: Europa past het verschil tussen de interventieprijs en de wereldmarktprijs bij. Op deze manier wordt de Europese suiker uitgevoerd tegen een prijs die maar éénderde tot de helft bedraagt van de prijs op de interne Europese markt. Dit is dumping. Het mechanisme zorgt ervoor dat de internationale prijzen nog meer naar beneden worden geduwd gemiddeld met 12 à 7 procent zodat de meeste producenten in ontwikkelingslanden hun productiekosten niet eens terugbetaald zien.
- Productiequota: Quota zorgen ervoor dat de hoge prijs die de producenten voor hun suiker krijgen niet lijdt tot een enorme overproductie. Elke lidstaat heeft een suikerquotum. Dat wordt toegekend aan de raffinaderijen. Via contracten met boeren bepalen de raffinaderijen hoeveel suiker elke boer mag produceren. Een deel van deze quotaproductie wordt geëxporteerd. Daarvoor bestaan er exportsubsidies. De meeste boeren telen echter meer suikerbieten dan dat ze zouden mogen volgens het quotum, zogezegd als reserve als de volgende oogst zou mislukken. In de praktijk is het best winstgevend om een overschot te produceren. De productie buiten de quota ligt zelfs vrij hoog. Frankrijk en Duitsland zijn de grootste producenten van suiker buiten de quota. Frankrijk is, samen met Groot-Brittannië, ook de grootste dumper op de wereldmarkt; de afgelopen 5 jaar hebben ze met hun tweetjes bijna één vierde van hun productie buiten het quotum op de wereldmarkt afgezet.
- Invoertarieven: De hoge suikerprijs in Europa betekent dat goedkopere suiker uit andere landen op de Europese markt een makkelijke afnemer zou moeten vinden. Om te voorkomen dat dit gebeurt, heeft de Europese Unie invoertarieven ingesteld. Ze kunnen tot 140 procent bedragen. De invoertarieven op andere producten bedragen doorgaans niet meer dan 5 procent, wat duidelijk aantoont dat suiker één van de meest beschermde Europese producten is.
HET WTO-LANDBOUWAKKOORD: DUMPEN MAG (NOG EVENTJES)
Het landbouwakkoord van de Wereldhandelsorganisatie wil de handel in landbouwproducten vrijmaken. Protectionistische maatregelen moeten worden afgeschaft. Het akkoord voorziet onder andere de afbouw van de invoertarieven op landbouwproducten en in een vermindering van de exportsteun (zowel de exportsubsidies als de hoeveelheid uitgevoerde gesubsidieerde landbouwproducten). Het landbouwakkoord zou voor het Europese suikerbeleid dus verstrekkende gevolgen kunnen hebben. Maar er is meer. Het landbouwakkoord van de WTO is immers de voortzetting van het GATT-akkoord. En dat stelt: Als een bedrijf een product exporteert tegen een prijs die lager ligt dan de prijs die het op de binnenlandse markt aanrekent, dumpt het zijn product. De suikerexport van de EU is overduidelijk dumping: hij wordt uitgevoerd tegen een derde tot de helft van de prijs op de Europese markt. Medio 2002 was er een gegarandeerde prijs van 632 EUR per ton witte suiker, terwijl de wereldmarktprijs slechts 184 EUR per ton bedroeg. Het landbouwakkoord van de WTO voorziet echter in de nodige uitzonderingen en technische trucjes om de Europese suikerexport toch niet als dumping te moeten beschouwen. Overigens is in het akkoord een vredesclausule opgenomen: WTO-leden zullen elkaar niet aanklagen in verband met de dumping van landbouwproducten. De clausule laat het gemeenschappelijk landbouwbeleid tot eind 2003 quasi onaangeroerd. Zo hebben Europa en de Verenigde Staten een systeem van multilaterale regels tot stand gebracht dat exportsubsidies en dumping toch verder toelaat. Andere landen worden gedwongen met de gevolgen daarvan te leven, terwijl ze zelf, volgens het WTO-akkoord, hun markten moeten opengooien.
EEN VOORBEELD: MOZAMBIQUE
Mozambique is één van de armste landen ter wereld en één van de landen die het meest te lijden heeft onder het Europese suikerregime. Meer dan 75 procent van de mensen op het platteland heeft een inkomen van minder dan 2 EUR per dag. Landbouw is zo goed als de enige bron van inkomsten op het platteland waar 80% van de bevolking leeft. Het Afrikaanse land beschikt wél over een enorm landbouwpotentieel. De burgeroorlog tussen 1976 en 1992 heeft echter enorme schade aan de landbouwproducten en infrastructuur berokkend, ook aan de suikerproductie. Het herstel van de suikerindustrie is een beleidsprioriteit omwille van het belang ervan voor de export. De productiekosten van suiker in Mozambique liggen immers vrij laag, minder dan de helft van de productiekosten in Europa.
Om de productie weer van de grond te krijgen, slaagde de Mozambikaanse regering erin in 1999 ondanks de tegenwerking van het IMF de sector tijdelijk te beschermen via een invoerheffing. De heffing zal minstens vijf jaar blijven bestaan, maar wordt elk jaar herzien. In 2002 produceerde het land ongeveer 200 000 ton suiker, een stijging van meer dan 200 procent ten opzichte van 2001. De stijging is voornamelijk te danken aan het weer in gebruik nemen van vier suikermolens. Vanaf 2003 wil het land jaarlijks 300 000 ton suiker produceren. De suikersector is de grootste bron van officiële werkgelegenheid. In 2002 werkten er 25 000 mensen in de suikerproductie. Daarbij komen nog de 8000 tot 10 000 extra jobs bij in sectoren zoals transport, verpakking en opslag.
Sinds de lancering van het Everything But Arms Initiative (afschaffing van importheffingen in de EU voor de minst ontwikkelde landen) heeft het land het geluk bij de minst ontwikkelde landen ter wereld te behoren en dus een zekere mate van toegang tot de Europese markt te verwerven. De Europese Unie wees Mozambique in 2001 een invoerquota van 8000 ton toe. De quota mag elk jaar met 15 procent stijgen in afwachting van een volledige vrijemarkttoegang vanaf 2008-2009. Indien dit uitstel van markttoegang er niet zou zijn, zou Mozambique vanaf 2004 meer dan 106 miljoen dollar kunnen verdienen. Dat is bijna drie vierde van de jaarlijkse Europese ontwikkelingshulp aan het land. Overigens mag alleen ruwe suiker geëxporteerd worden (ook na 2008-2009). De mogelijkheden om aan de geëxporteerde suiker een toegevoegde waarde mee te geven, worden serieus gekortwiekt, terwijl Mozambique wel degelijk over de faciliteiten beschikt om zijn eigen suiker te raffineren. Nog andere elementen temperen de exportverwachtingen van de Mozambikanen. Europa strooit roet in het eten door nog steeds haar overproductie op de internationale markten te dumpen en op die manier veel andere afzetmarkten in andere landen te domineren.
En de import van suiker uit zijn buurlanden ondermijnt de vraag naar eigen suiker op de Mozambikaanse markt. De combinatie van al deze gegevens maakt dat de suikerindustrie in Mozambique het erg moeilijk heeft om opnieuw van de grond te geraken. Voor dit land is het Everything But Arms Initiative van de EU van cruciaal belang. Dat de volledige markttoegang nog enkele jaren wordt uitgesteld, brengt het ontwikkelingspotentieel van het land echter ernstige schade toe. Daarnaast hebben de Mozambikanen veel te winnen bij het afschaffen van de Europese exportsubsidies en het stoppen met het dumpen van de Europese suiker. In dat geval zou Mozambique, en niet de Europese Unie, de suikerbehoeften van een aantal Noord- en West-Afrikaanse landen kunnen bevredigen. De toekomst van de plantages en de kleine producenten hangt af van de hervorming van het Europese suikerregime.