Materiaal/Voorbereiding
Kopieer alle illustraties van Pancho in dit handboek (zie hoofdstuk 5: opm: dit staat nog niet online).Vergroot ze, indien mogelijk.
Maak dubbels van de tekeningen, één set per groepje.
- Vraag de deelnemers groepjes te vormen.
- Geef één set van de afbeeldingen aan elke groep en vraag de deelnemers alle illustraties te bekijken en dan individueel deze te kiezen die hen, om welke reden ook, het meest aanspreekt.
- Wanneer iedereen gekozen heeft, dient elke persoon beurtelings zijn keuze voor te leggen, en te vertellen:
- wat de cartoon hem/haar zegt;
- waarom hij/zij deze illustratie gekozen heeft;
- hoe ze in verband staat met zijn/haar eigen bekommernissen en werkelijkheid;
- hoe ze verband houdt met de mensenrechten.
- Na elke ronde dient de rest van de groep zijn reacties kenbaar te maken.
- Wanneer iedereen gedaan heeft, roep je de hele groep samen.
Geef een kort overzicht van de algemene indrukken van alle groepen en ga verder met vragen zoals aangegeven in het eerste spelletje met beeldmateriaal Wat zie je?
Je kan Panchos afbeeldingen ook op andere manieren gebruiken. Vraag bijvoorbeeld de deelnemers teksten te maken of je kan de teksten in de tekstballonnen weglaten en de deelnemers vragen eigen teksten te bedenken. Benadruk het belang van het eerbiedigen van de auteursrechten van de artiest.
3. Een deel van het beeld
- Zoek afbeeldingen die een eenvoudig verhaal vertellen. Snij ze zo in twee stukken dat de twee afbeeldingen voor diegene die ze ziet een totaal andere betekenis kunnen hebben dan wanneer ze het gebeuren zouden interpreteren als zij de volledige afbeelding ineens zouden zien.
- Steek de beelden in afzonderlijke omslagen. Je hebt één reeks per deelnemer nodig.
- Vraag de deelnemers paren te vormen.
- Geef elk paar twee omslagen.
- Vraag de deelnemers om beurt een omslag te openen en hun partner één deel van de afbeelding te geven. Laat de partner uitleggen wat hij denkt dat er op de afbeelding gebeurt, waarover het gaat en wat er gedaan wordt.
- Dan moet de eerste deelnemer het tweede deel aan zijn partner geven en vragen om te zeggen wat hij nu denkt dat er gebeurt.
- Ga over tot een korte nabespreking:
- Welke verrassingen deden zich voor?
- Hoe dikwijls gebeurt het niet dat men uitgaat van wat men ziet en men er niet aan denkt dat het maar de helft van de waarheid is?
Je kan deze activiteit als een inleiding gebruiken of je kan ze verder laten lopen door de paren hun afbeeldingen te laten uitwisselen met een ander paar en de activiteit opnieuw te doen. Vinden de deelnemers het de tweede keer gemakkelijker? Of is het uitdagender? Waarom?
4. De tekst bij het plaatje
- genummerde afbeeldingen
- papier en balpennen, één per deelnemer
- scharen en plakband
- grote bladen (A3) of flip-overpapier: je zal zoveel bladen nodig hebben als je afbeeldingen hebt
- Leg de fotos op tafel en vraag de deelnemers individueel of per twee onderschriften neer te schrijven voor elk van de afbeeldingen. De onderschriften moeten netjes neergeschreven worden gezien ze later zullen uitgeknipt worden.
- Wanneer iedereen gedaan heeft, toon dan één voor één de fotos en laat vrijwilligers de onderschriften lezen.
- Kleef de afbeelding in het midden van een groot blad en vraag de deelnemers hun onderschriften rond de afbeelding te kleven om er een poster van te maken.
- Bevestig de posters aan de muur.
- Overloop bondig de verschillende fotos en hun onderschriften.
- Hoe moeilijk was het om onderschiften te vinden?
- Wat maakt een onderschrift goed?
- Als een afbeelding meer zegt dan duizend woorden, waarom zijn er dan onderschriften nodig?
Door gekleurd papier en kleurstiften te gebruiken voor de onderschriften worden de posters aantrekkelijker. Deze methode toepassen om voor elke foto verschillende onderschriften te verkrijgen, is meestal tegelijk plezierig en uitdagend. De deelnemers zijn betrokken en voorbereid voor een goede discussie. De onderschriften zijn een ideale basis om te doen begrijpen dat iedereen de wereld op een eigen wijze ziet, die moet gerespecteerd worden.
- afbeeldingen: één afbeelding per koppel (één of meer koppels zouden dezelfde afbeelding moeten krijgen)
- papier en balpennen, één per twee personen
- lijm
- Vraag de deelnemers paren te vormen. Geef hen de afbeeldingen, papier en balpennen.
- Vraag hen voor de afbeelding het Wie? Wat? Waar? Wanneer? en Hoe? na te gaan.
- Vraag hen de afbeelding op het papier te plakken en gespreksfragmenten te verzinnen voor de personen op de afbeelding.
- Vraag de paren hun werk aan de groep te laten zien en ga over tot een kleine nabespreking:
- Hoe moeilijk was het de afbeeldingen te analyseren en de tekstballonnen te schrijven?
- Voor de paren die dezelfde afbeelding hadden zijn er gelijkenissen tussen de analyses van de afbeeldingen?
- Welke stereotypen vonden de deelnemers in de afbeeldingen en de tekstballonnen?
Je moet je niet beperken tot afbeeldingen van personen. Waarom geen afbeeldingen van dieren invoegen? Dit kan bijzonder nuttig zijn als je wil dat de deelnemers praten over stereotypen. Je kan beginnen met aan te geven hoe dieren in cartoons vaak voorgesteld worden als stereotypes en de groep uitnodigen voorbeelden te zoeken van typeringen in hun afbeeldingen en tekstballonnen.
|