|
Kinderarbeid: WORKSHOP 2: Simulatiespel |
Leeftijdsniveau: vanaf 14 jaar
(met enige voorkennis van het thema)
Tijd: ongeveer 1 uur
Groepsgrootte: Minimum 14, maximum 20 deelnemers
Voorbereiding
Benodigdheden
- bord en krijt of grote flap en alcoholstiften
- watten
- Afrikaanse sjaal (of andere Afrikaanse voorwerpen)
- kranten
- schoensmeer
- stuk fruit
- boekentas
- speelgoedautootje
- borstel
- bril
- notitieblok
- min. 2 exemplaren van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind
- politieattributen (blauw hemd, speelgoedwapen, kepie,
)
- stok
- kaartjes met de rolverdelingen
- knutselmateriaal: grote flappen, kranten, tijdschriften, papierrestjes, lijm, scharen, nietjesmachine, perforator, kleurstiften- en potloden,
Instructies
Betrokken partijen
In dit simulatiespel vertegenwoordigen de deelnemers in kleine groepjes verschillende betrokken partijen:
Concrete situatie
In een gezin in het Afrikaanse Senegal doet zich een financiële crisis voor. De huisbaas verhoogt de huur en het gezin kan het niet langer redden zonder de hulp van de kinderen. Omdat er nog 3 jongere kinderen zijn, ziet het gezin zich genoodzaakt om de oudste zoon, Ali (10 jaar), die tot dan toe naar school ging, uit werken te sturen.
Net zoals zijn ouders wordt hij tewerkgesteld op een katoenplantage en moet er vele uren aan één stuk door in de brandende zon katoen plukken voor een zeer karig loontje. Bovendien krijgt hij af en toe een klap als hij niet snel genoeg werkt.
De jongen en zn familie zijn niet gelukkig met deze toestand en gaan op zoek naar hulp en botsen daarbij op verschillende personen en organisaties. Hun streefdoel is dat Ali naast de arbeid die hij uitvoert, weliswaar in betere omstandigheden, ook nog naar school kan gaan.
Verloop van het spel
De deelnemers krijgen een kaartje met daarop hun rol. Ze verklappen die niet aan de andere deelnemers. Bij de aanvang van het spel moeten de deelnemers uit een hoop voorwerpen een attribuut zoeken waardoor het voor de anderen duidelijk wordt welke rol ze uitoefenen.
De voorwerpen zijn de volgende:
- een prop watten voor Ali (als symbool voor katoen),
- een Afrikaanse sjaal (of andere Afrikaanse voorwerpen) voor de moeder en vader van Ali,
- een stok voor de werkgever van Ali,
- een boekentas voor de onderwijzer,
- een bril voor de voorzitter van de Afrikaanse organisatie voor werkende kinderen,
- een notitieblok voor de secretaris van de Afrikaanse organisatie voor werkende kinderen,
- een krant voor de krantenverkopers,
- schoensmeer voor de schoenpoetsers,
- een speelgoedautootje voor de jongen die in de garage werkt,
- borstel voor het dienstmeisje,
- een stuk fruit voor het meisje dat ik de winkel werkt,
- het Kinderrechtenverdrag voor de DCI-medewerkers,
- blauw hemd (of kepie, speelgoedgeweer,
) voor de politieagenten.
De deelnemers zoeken wie een gelijkaardige rol te vervullen heeft en gaan per groepje samen staan:
- de leden van de zelforganisatie van werkende kinderen,
- Ali en zijn ouders
- DCI-medewerkers
- politie-agenten
- de onderwijzer
- de werkgever
N.B. Afhankelijk van het aantal deelnemers, kunnen meer werkende kinderen ingeschakeld worden of kunnen Ali en/of de werkgever en/of de onderwijzer door twee personen gespeeld worden.Elk groepje stelt zich kort aan de anderen voor. Daarna zoeken ze een eigen plekje waar ze samen overleggen met welke partij ze in eerste instantie moeten overleggen en bepalen ze hun strategie.
Nabespreking
De begeleider moet er daarbij op toezien dat de discussie gaat over de rollen die de deelnemers vertolkten en niet over de deelnemers zelf.
Vragen die daarbij gesteld kunnen worden
- Wat vonden jullie van deze oefening?
- Waren jullie tevreden met de rol die jullie te vertolken hadden?
- Wie heeft de meeste problemen gehad?
- Wie heeft de minste problemen ondervonden?
- Denken jullie dat deze situatie realistisch is?