|
Kinderarbeid: IVRK over kinderarbeid |
Het IVRK over kinderarbeid
De werkende kinderen beroepen zich in hun argumentatie op het IVRK. Hieronder geven we een overzicht van de artikelen die daarbij van toepassing kunnen zijn.
|
Art.12: Het recht van het kind om zijn mening te kennen te geven en het recht op het feit dat met deze mening rekening wordt gehouden in elke aangelegenheid of procedure die het kind betreft. |
|
Art.13: Het kind heeft het recht informatie te verkrijgen of bekend te maken en zijn of haar mening uit te drukken, tenzij dit de rechten van anderen zou schaden. |
Tijdens de bijeenkomsten informeren de kinderen elkaar over hun rechten en plichten en proberen ze ook andere werkende kinderen te bereiken. Zo maken ze bijvoorbeeld krantjes of verspreiden ze posters op plaatsen waar veel werkende kinderen zijn. Sommige tegenstanders van deze zelforganisaties beweren dat de informatie die deze kinderen verspreiden (vb. in verband met het opeisen van het recht op arbeid) zal misbruikt worden door bepaalde werkgevers om slavernij en uitbuiting van kinderen te rechtvaardigen.
|
Art.15: Het recht van kinderen met anderen samen te komen en verenigingen op te richten of er zich bij aan te sluiten, tenzij dit de rechten van anderen zou schenden. |
De werkende kinderen organiseren zichzelf in groeperingen waardoor ze steun vinden bij elkaar in hun strijd tegen economische uitbuiting. Ze geven elkaar informatie over hun rechten en plichten op de werkvloer. Bovendien zijn ze als groepering ook sterker om invloed uit te oefenen op nationale en internationale bepalingen. Daarnaast bieden deze verenigingen ook ruimte voor onderwijs en ontspanning.
|
Art.28: Het recht van kinderen op onderwijs en de plicht van de Staat er voor te zorgen dat tenminste lager onderwijs gratis en verplicht is. De discipline op school moet gehandhaafd worden op een wijze die de menselijke waardigheid van het kind weerspiegelt. De noodzaak van internationale samenwerking met het oog op het realiseren van dit recht wordt benadrukt. |
Het is eveneens een eis van de werkende kinderen dat ze naast hun werk ook naar school kunnen gaan. Zij vinden niet dat het ene het andere uitsluit. In Zuiderse landen is het dikwijls zo dat kinderen slechts een halve dag naar school gaan en de andere helft werken (hetzij thuis, hetzij buitenshuis).
Bovendien willen zij onderwijs dat kwaliteitsvol is. Het probleem in veel Zuiderse landen is dat er een gebrek is aan (gemotiveerde) leerkrachten en aan degelijke infrastructuur, zodat hun aanwezigheid in de school nauwelijks beterschap biedt voor werkende kinderen. Veel voorkomende problemen zijn: te grote klassen, de school is te ver verwijderd van de woonplaats, slecht betaalde leerkrachten die hun frustratie op de leerlingen uitwerken,...
|
Art.31: Het recht van het kind op vrije tijd, spel en deelname aan culturele en artistieke activiteiten. |
Naast de tijd die werkende kinderen spenderen aan het naar school gaan en het werken, willen ze ook dat ze voldoende tijd over houden voor ontspanning.
|
Art.32: De plicht van de Staat om kinderen te beschermen tegen tewerkstelling in werkzaamheden die een bedreiging vormen voor hun gezondheid, opvoeding en ontwikkeling, om minimumleeftijden voor toegang tot tewerkstelling voor te schrijven en om de arbeidsomstandigheden te reglementeren. |
Dit kan erop wijzen dat er vormen van tewerkstelling bestaan die geen bedreiging vormen voor hun gezondheid, opvoeding en ontwikkeling. De werkende kinderen vinden dat er bepaalde soorten van arbeid zijn die kunnen bijdragen tot hun ontwikkeling en die andere mogelijkheden tot leren bieden dan deze in de school. Natuurlijk zijn ook zij gekant tegen alle vormen van misbruik, slavernij en uitbuiting waar sommige werkende kinderen ten prooi aan vallen, maar die mogen niet allen onder de naam kinderarbeid geclassificeerd worden.
Daarnaast vinden zij dat leeftijd geen criterium kan zijn voor arbeid, maar dat het werk dat kinderen uitvoeren moet aangepast zijn aan de capaciteiten van alle kinderen afzonderlijk. Het werk mag nooit de draagkracht van een kind te boven gaan.
Naar specifieke vormen van exploitatie wordt verwezen in de artikelen 33, 34 en 36:
Art.33: Het recht van het kind te worden beschermd tegen het gebruik van narcotica en psychotrope drugs en tegen betrokkenheid bij hun productie of distributie.
Art.34: Het recht van het kind te worden beschermd tegen seksueel misbruik, met inbegrip van prostitutie en betrokkenheid bij pornografie.
Art.36: Het recht van het kind op bescherming tegen alle vormen van uitbuiting die niet vermeld zijn in art.32, 33, 34 en 35 (verkoop, handel en ontvoering).
Verder zijn ook volgende artikels van betekenis in deze context:
| Art.14: Het recht van het kind op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, onderworpen aan de passende leiding van de ouders en aan de nationale wetten. |
Het recht op een eigen gedachte en ook het recht om die vrijelijk te uiten Cf. Art.12, zolang dit niet in strijd is met de belangen van anderen. Er is daarbij steun nodig van volwassenen en van de overheid, maar die mag niet onderdrukkend zijn voor de kinderen.
De zelforganisaties van werkende kinderen worden soms verweten dat ze gemanipuleerd worden door volwassenen die via de werkende kinderen hun eigen belangen willen nastreven.
|
Art.17: Elk kind heeft het recht op toegang tot informatie en materiaal uit verscheidene bronnen alsook de bescherming tegen informatie en materiaal die schadelijk zijn voor zijn/haar welzijn. |
Het is de plicht van de media (radio, televisie, kranten, internet, ) om juiste en genuanceerde informatie te verspreiden over kinderarbeid en dit niet vanuit één enkel standpunt van miserie en ellende. Ze moeten ook aandacht besteden aan de werkende kinderen die hun recht op arbeid opeisen en ruimte bieden voor discussie daar rond.
|
Art.39: De plicht van de Staat er voor te zorgen dat kinderen die het slachtoffer geweest zijn van gewapende conflicten, foltering, verwaarlozing, mishandeling of uitbuiting, een aangepaste behandeling krijgen met het oog op hun herstel en hun herintegratie in de maatschappij. |
Kinderen die het slachtoffer geweest zijn van vormen van uitbuiting, mishandeling en slavernij in hun werksituatie, moeten zodanig opgevangen worden dat hen nadien een waardig alternatief geboden wordt. Soms lopen ze immers het gevaar om van de regen in de drop te vallen. Dit is bijvoorbeeld mogelijk bij een slecht georganiseerde boycot van producten die door kinderen gemaakt werden.
Een voorbeeld hiervan is de boycot in de jaren 90 van Amerika tegen producten uit Bangladesh die gemaakt werden door kinderen. Uit angst om al hun inkomsten te verliezen hebben de bedrijven in Bangladesh massaal de tewerkgestelde kinderen aan de deur gezet, maar dat betekende zeker geen verbetering in de levensomstandigheden van de kinderen. Er is een onderzoek gebeurd naar wat er van de ontslagen kinderen geworden is en slechts een heel klein deel is in de school terecht gekomen. Het overgrote deel van de kinderen vonden en zochten ander werk, dikwijls in de illegale sector, zelfs in de prostitutie, en dikwijls in slechtere omstandigheden dan voordien.