Deze activiteit met afbeeldingen helpt de kinderen te begrijpen hoe alle rechten onderling verbonden zijn. Ze kan gedaan worden met kinderen, tieners en volwassenen.
1. Spreid de afbeeldingen uit op de vloer of op de tafel.
2. Vraag de kinderen om in groep de drie fotos uit te kiezen die ze het liefste zien. Dit kan een tijdje duren.
3. Leg de drie gekozen fotos apart. Ruim nu de andere fotos op zodat ze de leerlingen niet afleiden.
4. Toon een van de fotos aan de klas en stel de vragen die je verder op de pagina vindt om de verbeelding van de kinderen te stimuleren. Sta open voor alle suggesties!
5. Herhaal deze verbeeldingsoefening met de twee andere fotos.
6. Neem nu terug de eerste prent. Stel de vraag: Op welk recht of rechten denken jullie dat deze prent betrekking heeft?. (Als de leerlingen nog erg jong zijn of nog niet vertrouwd zijn met mensenrechten, laat hen dan de Vereenvoudigde Versie van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens raadplegen.).
7. Herhaal deze vraag voor de twee andere fotos.
8. Spreid nu terug alle fotos uit. Vraag aan de leerlingen: Wat met deze andere fotos? Welke rechten stellen zij voor?. Je kan van de gelegenheid gebruik maken om uit te leggen dat alle rechten universeel zijn. (Iedereen bezit ze).
9. Vraag nu aan de kinderen of ze de fotos kunnen opsplitsen in verschillende hoopjes zodat ieder hoopje overeenkomt met één punt in de Vereenvoudigde Versie van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De kinderen zullen vlug ondervinden dat het een onmogelijke taak is, want alle rechten zijn onderling verbonden. Dus één foto vertegenwoordigt meerdere rechten ineens. Maak van de gelegenheid gebruik om uit te leggen dat rechten ondeelbaar zijn. (Je kan niet sommige rechten bezitten als er andere ontbreken.)